Home Activiteiten Publicaties Expertisecentrum Contact Groter
logo
Gelderse beleidsvoorstellen
ter verhoging van de participatie en verbetering van het minimuminkomen van uitkeringsgerechtigden

Inhoud

Voorwoord

Deel 1
Samenvatting Gelderse Beleidsvoorstellen
Inkomen
Medezeggenschap
Zorg en arbeid
Armoede
Sociale activering
Werkgelegenheid

Deel 2
Verslag anti-armoede manifestatie
op 27 september 1999
Jan Ettema; presentatie van de stelling
Leni Jansen; onderbouwing van de stelling
Tom Louman; reactie op de stelling
Mijnke Bosma; reactie op de stelling
Geert van Rumund; reactie op de stelling
Diana de Wolf; reactie op de stelling
Debat over de stelling
Aanbieden van de beleidsvoorstellen
Saskia Noorman-den Uyl; bij de voorstellen
Marianne Teer; bij de voorstellen

Afkortingen

Voorwoord

In de troonrede van 1995 werd een beroep gedaan op burgers, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties om ‘gezamenlijk de sociale uitsluiting en stille armoede in onze samenleving eensgezind aan te pakken’. Eind 1995 verscheen de nota ‘De andere kant van Nederland’en werd – als gevolg daarvan - een jaarlijkse Sociale Conferentie ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting ingesteld. Tussen 1996 en 2000 zou deze conferentie elk jaar georganiseerd worden. In dat kader werd het project Aanpak geconcipieerd en werd ook jaarlijks, sinds 1996, uitgevoerd. Ook in Gelderland.

Uit de Armoedemonitor 1998 blijkt echter dat nog steeds 9% van de bevolking in Nederland een huishoudeninkomen heeft dat op of onder het vastgestelde minimum ligt. Van deze groep ontvangt 37% vier jaar of langer dit minimale inkomen. De groeiende welvaart en de stijgende rijkdom hebben nauwelijks effect op het welzijn van deze grote groep van mensen. Ook de getroffen beleidsmaatregelen hebben niet het verwachte effect gehad. Een effectieve bestrijding van het armoedevraagstuk dient zich op twee niveaus te voltrekken: landelijk en lokaal. De landelijke overheid dient een beleid te ontwikkelen zodat de situatie van groepen die door allerlei maatregelen stelselmatig achtergesteld aanzienlijk verbeterd wordt. Te beginnen met een structurele verhoging van het minimum inkomen van uitkeringsgerechtigden en degene die van een minimum inkomen moeten leven. Het gemeentelijke beleid dient zich vooral te richten op het treffen van maatregelen die de maatschappelijke participatie van alle burgers mogelijk maakt.

In 1999 stond Aanpak in het teken van het formuleren van verbeterpunten ten aanzien van het lokale armoedebeleid en een verbetering van de betrokkenheid van uitkeringsgerechtigden bij dat beleid. Op 27 september 1999 zijn er minstens in 15 gemeentes in Gelderland verbeterpunten ingediend ten aanzien van het lokale minimabeleid. Deze verbeterpunten zijn ontwikkeld door lokale groepen die, op diverse manieren, actief zijn op het gebied van armoedebeleid. In de andere Gelderse gemeentes is er op 27 september een extra editie van de Aanpak Nieuwsbrief ingediend. In deze extra nieuwsbrief werden ook voorstellen gedaan ter verbetering van het lokale armoedebeleid. Aansluitend op het indienen van de beleidsvoorstellen op gemeentelijke niveau heeft een anti-armoede manifestatie in Arnhem plaatsgevonden waar gedebatteerd werd over de ingediende verbeterpunten. Dat gebeurde aan de hand van een stelling.

Het eerste deel van deze brochure bevat een samenvatting van de belangrijkste concrete voorstellen ter verbetering van het lokale armoedebeleid, zoals op 27 september 1999 aangeboden aan de gemeenten. De voorstellen zijn gegroepeerd rondom de zes centrale thema’s van Aanpak 99, namelijk: inkomen, medezeggenschap, zorg, armoede en het effect op kinderen, sociale activering en werkgelegenheid.

Het tweede deel van de brochure bestaat uit een verkorte weergave van de anti-armoede manifestatie, gehouden op 27 september 1999 in Musis Sacrum te Arnhem. De lokale Gelderse groepen van uitkeringsgerechtigden en hun bondgenoten debatteerden op de manifestatie over hun argumenten met enkele beleidsmakers. Aan het eind van de manifestatie werden de Gelderse beleidsvoorstellen aan de politiek aangeboden.

Deze brochure over Aanpak 99 zal verspreid worden in alle Gelderse gemeentes, onder cliëntenraden, rmoedegroepen en andere belangstellenden.

Inmiddels zet Aanpak 2000 de beweging weer volop in gang. Aanpak 2000, voor een sociale balans voorziet in een evaluatie van de Aanpak-activiteiten en het effect van de beleidsvoorstellen 99 die in deze brochure weergegeven worden. Het resultaat van de Gelderse evaluatie zal in oktober 2000 beschikbaar zijn.

Victor Lizama
namens gezamenlijk MA-werk Gelderland

terug

DEEL I:

Samenvatting Gelderse beleidsvoorstellen

Deze beleidsvoorstellen geven de belangrijkste voorstellen weer die bijna in alle gemeentes door de plaatselijke groepen worden genoemd.

Thema’s:

  • Inkomen
  • Medezeggenschap
  • Zorg en arbeid
  • Armoede en effecten op kinderen
  • Sociale activering
  • Werkgelegenheid

Thema 1: Inkomen

  1. Extra geld voor uitgaven in de persoonlijke sfeer. Mensen die langer dan drie jaar afhankelijk zijn van een minimuminkomen jaarlijks (300 verstrekken voor extra uitgaven in de persoonlijke sfeer.
  2. Extra geld voor sociale en culturele participatie. Mensen die langer dan drie jaar afhankelijk zijn van een minimuminkomen jaarlijks (500 verstrekken voor deelname aan sociale en culturele activiteiten (sport, lidmaatschappen, cursussen, schouwburg, bioscoop).
  3. Hulp bij aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Huishoudens die langer dan drie jaar afhankelijk zijn van een minimuminkomen, helpen bij de aanschaf van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen zoals wasautomaat, stofzuiger, fornuis, koelkast, etc.
  4. Extra geld voor kosten van onderwijs. Huishoudens die langer dan drie jaar afhankelijk zijn van een minimuminkomen, met kinderen op de middelbare school financieel helpen door per kind een toeslag te geven vanwege de extra kosten die dat onderwijs met zich meebrengt.
  5. Kwijtschelding gemeentelijke belasting, heffingen zuiveringslasten en waterschapsomslagen. Minima kwijtschelding verlenen van gemeentelijke belastingen en heffingen en aandringen bij de desbetreffende instanties om heffingen die te maken hebben met waterschapsomslagen en zuivering kwijt te schelden. Deze kwijtschelding zoveel mogelijk ambtshalve regelen.
  6. Premie bij deeltijdarbeid. Bijstandsgerechtigden die in deeltijd betaald werken een premie geven van ƒ301 per maand.
  7. Premie bij zorgarbeid. Bijstandsgerechtigden die een medeburger (kind/zieke) verzorgen en/of vrijwilligerswerk verrichten en daaraan meer dan 18 uur per week besteden, een ‘zorgpremie’ geven van ƒ301 per maand.
  8. Collectieve ziektekostenverzekering. De gemeente sluit een collectieve ziektekostenverzekering af waardoor alle minima die dat willen goedkoper een basispakket en aanvullende verzekeringen kunnen krijgen.
  9. Overbruggingskrediet bij wijziging betaaldata. Als betaaldata gewijzigd worden, moet voorkómen worden dat mensen voor extra moeilijkheden worden geplaatst. Dat kan bijv. door het beschikbaar stellen van een overbruggingskrediet,dat niet terugbetaald hoeft te worden.
  10. Vakantiegeld niet meerekenen bij schuldsanering. Bij schuldsanering moet het vakantiegeld buiten beschouwing worden gelaten, opdat het vakantiegeld gebruikt kan worden waarvoor het bedoeld is: even de dagelijkse zorgen doorbreken met enkele dagen er tussen uit.

Thema 2: Medezeggenschap

  1. Bij de inrichting van een CWI treedt de gemeenteraad op als bondgenoot van uitkeringsgerechtigden. De gemeente moet haar invloed op het beleid èn de uitvoering van de CWI gebruiken ten gunste van de cliënten (cliëntenparticipatie).
  2. De gemeente verleent faciliteiten om individuele klanten te ondersteunen bij uitkerings- en trajectvraagstukken. Uitkeringsgerechtigden moeten ondersteuning kunnen krijgen bij stappen in het traject dat ze moeten doorlopen: informatie, begeleiding bij intake- of controlegesprekken, bij medische keuring. Deze ondersteuning kan verleend worden door een organisatie van uitkeringsgerechtigden, maar ook door sociale raadslieden of het maatschappelijk werk.
  3. Oprichten van een meldpunt waar knelpunten in de uitvoering gesignaleerd kunnen worden. Er moet een onafhankelijke instantie zijn waar uitkeringsgerechtigden hun (negatieve) ervaringen met de uitvoering kunnen melden en waar die worden geregistreerd en geanalyseerd teneinde de uitvoering van het beleid te verbeteren.
  4. Organiseren en faciliteren van de zeggenschap van uitkeringsgerechtigden. De gemeentes dienen er voor te zorgen dat de sociale diensten de inspraak door klanten organiseren via cliëntenraden of platforms. Dat is namelijk wettelijk geregeld. Deze mogelijkheden tot inspraak kunnen ook worden aangewend voor het CWI. Hier kan ook de gemeente een rol spelen.

Thema 3: Zorg en arbeid

  1. Vrije keuze voor alleenstaande ouders om zelf voor hun kinderen te zorgen of om zorg en arbeid te combineren. Onthef hen van de volledige sollicitatieplicht. Artikel 107 van de bijstandswet kan hiervoor ruimte bieden. Hierin staat dat de gemeente in specifieke gevallen bijstandsgerechtigden (gedeeltelijk) mag ontheffen van sollicitatieplicht.
  2. Tijdens opleidingstrajecten hebben uitkeringsgerechtigden recht op zorgverlof en calamiteitenverlof. Het komt voor dat mensen een boete of strafkorting krijgen omdat ze vanwege zorgverplichtingen opleidingsdagen moeten verzuimen. Dergelijke strafkortingen voor zorgverplichtingen afschaffen.
  3. De bijverdienstenregeling wordt maximaal benut. Daarvoor beschouwt de gemeente elke alleenstaande ouder met zorgtaken als een categorie die onder de ‘oude’ centrale vrijlatingregeling valt. De ‘oude’ vrijlatingregeling (landelijke regelgeving) is van toepassing op bijstandsgerechtigden zonder arbeidsplicht en bijstandsgerechtigden die om sociale of medische redenen alleen in deeltijd kunnen of mogen werken. De gemeente bepaalt echter wie onder de laatste groep valt. Genoemde groepen mogen ƒ58 zonder korting op de uitkering bijverdienen. Van de inkomsten daarboven wordt de helft niet verrekend tot een maximum van (totaal) (ƒ290 per maand).
  4. Faciliteren van (ook) informele vormen van opvang als dat door de klant gewenst wordt. Kinderopvang wordt in het algemeen alleen vergoed bij erkende kinderdagverblijven. Zoek mogelijkheden om de oplossingen die mensen zelf aandragen, te honoreren.
  5. Project of experiment voor opvang van pubers. Naast de reguliere opvang van kinderen tot 12 jaar, vraagt de opvang van tieners extra aandacht. In samenwerking met buurthuizen, scholen en/of sportclubs kunnen plekken gecreëerd worden waar tieners na schooltijd opgevangen kunnen worden, huiswerk kunnen maken, activiteiten kunnen doen.

Thema 4: Armoedeen effecten op kinderen

  1. Vergoeden van schoolkosten voor scholieren in het voortgezet onderwijs door voldoende subjectsubsidie te verstrekken. De overheid moet ervoor zorgen dat kinderen en jongeren vrijheid in schoolkeuze (type, plaats etc.) hebben en dat de kosten die deze keuze met zich meebrengt, niet ten laste komen van het veel te krappe gezinsbudget van mensen die een laag inkomen hebben.
  2. De inkomsten van jongeren uit werk of studiebeurs worden niet in mindering gebracht op de uitkering van de ouder(s). Als de inkomsten van de jongeren in mindering gebracht worden op de uitkering van de ouder(s) ontsnapt het huishouden onmogelijk aan de armoede. Ook de jongere zelf krijgt hierdoor onvoldoende kans om boven de armoede uit te komen en voor zichzelf een toekomst op te bouwen.
  3. De gemeente schept voorzieningen, zodat kinderen ook buiten schooltijden kunnen werken en leren op computers. Kinderen van ouders met een laag inkomen hebben vaak te weinig gelegenheid om te werken met computers. Hierdoor ontstaat in een vroeg stadium een achterstand in leren, vaardigheden en toegang tot informatie.
  4. Ook in de vakantietijd dient de gemeente te zorgen voor voldoende aanbod van sociale en culturele activiteiten voor kinderen. Juist in vakanties is er voor kinderen van ouders met een laag inkomen een grote behoefte aan deze voorzieningen. Dat betekent dat bijvoorbeeld buurthuizen, maar ook kindertheaters etc. in de zomer open moeten zijn.  

Thema 5: Sociale activering

  1. Een brede visie ontwikkelen op sociale activering. Voor het beoordelen en beïnvloeden van het beleid en de praktijk van sociale activering is het van belang dat de gemeente op schrift stelt welke denkbeelden en doelstellingen ze heeft over sociale activering. Betrokkenheid van uitkeringsgerechtigden hiervoor is van groot belang.
  2. Mensen moeten er wijzer van worden. Mensen die meedoen met projecten van sociale activering moeten daar op de eerste plaats zelf iets concreets aan hebben: ze moeten weer perspectief zien voor zichzelf; hun schulden moeten worden weggewerkt; hun huis moet worden opgeknapt; ze moeten een stimuleringspremie krijgen; mensen moeten een vergoeding krijgen voor hun vrijwillige maatschappelijke inzet; uiteraard moeten deze premie en vergoeding niet verrekend worden met een eventuele bijstandsuitkering.
  3. Beleid ontwikkelen samen met uitkeringsgerechtigden. Te vaak wordt beleid ontwikkeld voor uitkeringsgerechtigden zonder dat deze zelf erbij betrokken worden. De gemeente moet inspraak en medezeggenschap van uitkeringsgerechtigden ook op dit beleidsterrein stimuleren en er middelen voor beschikbaar stellen.
  4. Meer mogelijkheden dan vrijwilligerswerk. Veelal wordt bij sociale activering vooral gedacht aan vrijwilligerswerk. Dat lijkt ook het meeste op betaalde banen en past dan ook het beste in de uitstroomoptie die nog steeds mee blijft zingen in de meeste projecten rond sociale activering. Dit is een te beperkte kijk op zaken.
  5. Vrijstelling van sollicitatieplicht. De vrijstelling van sollicitatieplicht moet ook gelden en blijven gelden als het doen van vrijwilligerswerk het maximaal haalbare is.

 Thema 6: Werkgelegenheid

  1. Kwaliteitsbeleid ten gunste van mensen in banenpool e.d. Bij betaalde baan of arbeidstraject moet er sprake zijn van continuïteit en perspectief. De gemeente moet WIWers die daaraan behoefte hebben terzijde staan met ontplooiingsmogelijkheden zoals scholing, deskundigheidsbevordering, detacheringen naar ‘buiten’, ‘outplacement’, ‘jobrotation’ etc. Er moeten banen gezocht worden bij mensen (jobhunting) in plaats van omgekeerd.
  2. Kwaliteitsbeleid t.b.v. mensen in de instapbanen. De gemeente moet een beleid ontwikkelen om de baanmobiliteit aan de onderkant van de arbeidsmarkt te vergroten. Daartoe kan een studiefonds worden opgericht, waarop mensen een beroep kunnen doen om een door henzelf uitgestippelde ontplooiingsroute begaanbaar te maken en te houden.
  3. Meer mogelijkheden voor kleine zelfstandigen. De gemeente moet bevorderen dat mensen een eigen bedrijf kunnen beginnen. Zij kan daartoe de volgende faciliteiten bieden: - optimaal gebruik maken van de mogelijkheden tot financiële ondersteuning - het opzetten van mentorbegeleiding en dergelijke.
  4. Meer daadwerkelijke reïntegratiemogelijkheden. De mogelijkheden die de wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) biedt moeten beter bekend gemaakt worden in het bedrijfsleven en de gemeente moet bevorderen dat werkgevers meer gebruik maken van deze mogelijkheden. Daarnaast kan de gemeente een eigen reïntegratiebeleid ontwikkelen o.a. door scholingsprojecten.
  5. Werk moet lonen. Banen die aangeboden worden, moeten mensen in de gelegenheid stellen om daadwerkelijk te ontsnappen uit de armoede. Dus: goede betaling en praktische oplossingen voor de armoedeval. Voor mensen die zorgtaken (moeten) verrichten moeten, via experimenten, mogelijkheden worden gevonden zodat men economisch gezien een volwaardig en zelfstandig leven kan leiden, ook met een halve baan naast de zorgarbeid.
  6. Doorstroomgarantie. Vaak is additioneel werk in feite gewoon regulier werk. Dat moet worden erkend en tot uiting komen in de tijdelijkheid van het additionele en de garantie op doorstroom naar regulier en duurzaam werk.
  7. Meer flexibiliteit. De arbeidstijden moeten afgestemd kunnen worden op de persoonlijke situatie van mensen. Dat geldt bijvoorbeeld voor mensen met zorg voor kinderen of zieken.
  8. Soepeler omgaan met bestemmingsplannen. Er moeten meer mogelijkheden komen om thuis een eigen bedrijf te starten. Daartoe moet soepel omgesprongen worden met de bepalingen in de bestemmingsplannen (vervoer, opvang, ‘rusten’).
  9. Meer voorlichting aan bedrijven. Gemeenten moeten meer voorlichting geven aan bedrijven. Daarbij moet men alert zijn op ‘succesverhalen’. De werknemer en wat deze kan/wil is het uitgangspunt. Er moet gekeken worden naar hetgeen mensen wèl kunnen en niet naar hetgeen ze niet (meer) kunnen. Het kunnen van mensen mag ook niet per definitie afgemeten worden aan het hebben van diploma’s. Er is een omslag nodig in denken: er moet gestart worden vanuit de werknemer!

terug

 DEEL II

Verslag anti-armoede manifestatie
(Arnhem, 27 september 1999)

Uit het programma zijn verkort weergegeven:

  • presentatie van een stelling voor het debat door Jan Ettema, lid Cliëntenraad   Apeldoorn
  • onderbouwing van de stelling door Leni Jansen, sociaal- wetenschappelijk   onderzoekster

Reacties op de stelling door

  • Tom Louman, wethouder Maatschappelijke Zaken en Welzijn, Barneveld
  • Mijnke Bosman, vice-voorzitter Raad van Kerken Nederland
  • Geert van Rumund, wethouder Zorg, Sociale Zaken en Grote Stedenbeleid,   Nijmegen
  • Diana de Wolff, lid van de Eerste Kamer voor GroenLinks
  • debat o.l.v. Jelle de Gruyter
  • reactie op de Gelderse beleidsvoorstellen door Saskia Noorman - Den Uyl, lid Tweede Kamer voor de PvdA en vice-voorzitter Vaste Kamercommissie welzijn

Jan Ettema; presentatie van de stelling

In de Troonrede van 1985 werd voor het eerst officieel erkend dat er armoede werd geleden in ons zeer rijke land. De armoedenota van het Kabinet in 1995 had als uitgangspunt mensen minder afhankelijk maken en het beleid meer te richten op activering, participatie en bevordering van zelfredzaamheid. Achter deze nota scholen ook economische motieven, want het motto van de regering was: werk, werk en nog eens werk. Werk betekent inderdaad meer kans op participatie en zelfredzaamheid. Maar dat geldt alleen voor betaald werk, waarover inkomsten belasting geheven kan worden. In deze context heeft een moeder, die zorgt voor een gezin geen werk. En dat geldt ook voor vrijwilligerswerk.

Er zijn verschillende verschijningsvormen van armoede. Een eerste verschijningsvorm is het gebrek aan geld, maar dat is niet het enige. Een tweede vorm is de culturele achterstand, omdat er geen gebruik gemaakt kan worden van een opleiding of een goed boek. Ten derde gaat armoede ook over competentie, d.w.z. het leven niet aan kunnen, de eigen boontjes niet kunnen doppen, de bureaucratische rompslomp niet meer kunnen overzien. En een vierde verschijningsvorm betreft de gebroken waardigheid. Een uitkeringsgerechtigde wordt op diverse manieren gezien, als zorgobject, als potentiële fraudeur, als een dor dossier. Wat je (ook) ten deel valt als je in armoede leeft zijn plichten en minachting’. Dhr. Jan Ettema geeft vervolgens een aantal voorbeelden uit zijn eigen praktijk als vrijwilliger bij het Sociale Steunpunt in Apeldoorn, waarmee hij de vier verschijningsvormen van armoede nader wil toelichten. Armoede is niet alleen, maar óók een gebrek aan geld.

Uit deze vier, heel verschillende, voorbeelden blijkt dat de verschijningsvormen van armoede meestal in combinatie voorkomen. Zoals een moeder en een zoontje die zonder middelen van bestaan worden achtergelaten door de man. De uitkering liet drie maanden op zich wachten zodat er een huurschuld ontstond. Vergoeding voor de peuterspeelzaal was alleen mogelijk als een GGD-arts constateerde dat dit echt nodig was voor het kind. Of de dame van 84 die, ook al vond ze het vernederend, bijzondere bijstand ging aanvragen voor medicijnen en eerst de vraag moest beantwoorden of ze ingeschreven stond als werkzoekende. Het verzoek werd afgewezen en ze moest op een hoorzitting verschijnen waarop het verzoek uiteindelijk toch nog werd toegekend.

Hieruit werd duidelijk dat de armoede inderdaad vaak begint met een gebrek aan geld. Hierdoor kan een culturele achterstand ontstaan en de waardigheid aangetast worden. Gebrek aan competentie speelt ook vaak een rol, overigens ook bij de ambtenaren. Wil je echt iets doen aan armoedebestrijding dan zal er verder moeten worden gekeken dan alleen naar geld. ‘De stelling, die ik u na dit verhaal wil voorleggen, is gekozen uit en geformuleerd op grond van de ingediende verbeterpunten door Gelderse uitkeringsgerechtigden en luidt:

Huishoudens die afhankelijk zijn van een minimuminkomen dienen - via gemeentelijke maatregelen - minstens ƒ800 per jaar te ontvangen voor uitgaven in de persoonlijke sfeer en ten behoeve van sociale en culturele participatie.

Toelichting

Het bedrag van ƒ800,- laat kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, zuiveringslasten, waterschapsomslagen, extra kosten in onderwijs en aanschaffen van duurzame gebruiksgoederen buiten beschouwing. Tevens blijven de noodzakelijke algemene verbeteringen vanuit het rijk buiten beschouwing.

Ik dank u voor uw aandacht’

Leni Jansen; onderbouwing van de stelling

‘Ik heb me twintig jaar verdiept in en bezig gehouden met cliëntenparticipatie vanaf de eerste raad die ik samen met een paar bijstandsvrouwen oprichtte in Haarlemmermeer in ‘78 tot en met nu. Mij is gevraagd te reageren op het tweede deel van de stelling: het recht op sociale en culturele participatie. Ik zal dit doen vanuit het burgerschapsperspectief.

De titel is:
Burgers in de bijstand hebben recht van spreken. Zeggenschap in het armoedebeleid.

Mijn betoog omvat vier delen. Eerst geef ik een korte omschrijving van het begrip burgerschap (1). Daarna geef ik aan hoe het burgerschap van burgers in de bijstand afwijkt van het gewone begrip (2). Vervolgens noem ik enkele voorwaarden om als burger te kunnen functioneren (3). In het vierde en laatste deel doe ik enkele suggesties ter verbetering. Centraal staat daarin hoe cliëntenparticipatie bijdraagt aan de kwaliteit van het levenvan burgers in de bijstand (4).

Burgerschap

‘Burger is hij/zij die zowel regeert als geregeerd wordt en dat ook feitelijk doet’. Zo luidt kort samengevat de omschrijving van burgerschap die aan Aristoteles wordt toegeschreven.

Burgerschap is een status die iemand bezit als inwoner van een land. Aan dit burgerschap zijn rechten en plichten verbonden. Vroeger was burgerschap een voorrecht van hen die beschikten over vermogen, kennis en kunde. Vrouwen, armen en slaven waren uitgesloten. Nu zijn in een Westerse democratie, formeel althans, alle inwoners van een land op gelijke wijze in staat om te participeren in de samenleving, ongeacht hun sociaal-economische positie, sekse, afkomst, leeftijd, enzovoort. Burgerschap is geen universele term, de invulling is tijd- en plaatsgebonden.

Je kunt een onderscheid maken in een actief en een passief burgerschap. Het actieve burgerschap wordt vooral beleden door mensen aan de ‘hogere’ kant van de samenleving. Ralph Dahrendorf noemt burgerschap een entreebewijs, het verschaft toegang. Burgerschap heeft vooral betrekking op de verhouding individu en staat. Wie hoort erbij, wat zijn ieders rechten en plichten, welke eigenschappen behoort een goede burger te hebben. Trudy van Asperen gebruikte de term het forummodel. In dit model wordt grote nadruk gelegd op participatie, op het meedoen in het overleg dat leidt tot politieke beslissingen. Essentieel is dat je meedoet als burger, niet als privé-persoon. Ik citeer: ‘Het overschrijden van het eigenbelang, waardoor je van mens burger wordt, vindt slechts plaats door te participeren in het proces van overleg en besluitvorming (...). Door het proces van politieke participatie worden mensen tot burger. Dat is de relatie met de democratie’ (einde citaat).

Alle burgers hebben rechten en plichten. Maar om van je rechten gebruikt te kunnen maken en om aan je verplichtingen te kunnen voldoen moet je wel als burger erkend zijn en beschikken over voldoende mogelijkheden. Ik kom daar nog op terug.

Burgerschap is niet vanzelfsprekend voor iedereen bereikbaar, er zijn vele selectiecriteria, soms verborgen. Mensen leven in gemeenschappen die zij met elkaar vorm geven. Dit vormgeven is een voorrecht van vrije burgers. Vrije mensen bepalen zelf tot hoever zij anderen wel of niet toelaten in hun wereld. Of mensen toegang krijgen tot de leefwereld van anderen is afhankelijk van macht. Die macht hangt samen met de eigen positie. Macht bepaalt mede de toegang tot maatschappelijke voorzieningen en tot de besluitvorming. Mensen uit de ‘lagere’ groepen hebben soms moeilijker toegang tot bepaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, rechtsbijstand en huisvesting. Deze zaken worden meer en meer het exclusieve voorrecht voor bepaalde categorieën burgers. Daardoor dreigt burgerschap te degenereren tot een exclusieve status voor bepaalde groepen.

Het burgerschap van burgers in de bijstand

Formeel zijn alle rechten voor iedereen bereikbaar, feitelijk niet. In de praktijk blijkt dat er mensen zijn die minder rechten hebben dan anderen. Het is bekend dat bijvoorbeeld ouderen, laaggeschoolde mensen, gehandicapten en alleenstaande ouders, kortom al die mensen ‘met een vlekje’ zoals de overleden minister Jan de Koning zei, het heel moeilijk kunnen hebben. Niet alleen financieel, maar ook op andere punten. De overheid benadert deze burgers vaak anders, de plichtenkant wordt zwaarder aangezet dan de rechtenkant, de controle, het woud van wetten en regels waar zij mee te maken krijgen. Denk bijvoorbeeld aan het recente kabinetsbesluit over een Arbeidsplicht voor Bijstandsvrouwen met kleine kinderen (Dampend Bord met Plichten).

Vooral het langdurig aangewezen zijn op een minimuminkomen verschraalt het leven aanzienlijk. Niet alleen in mogelijkheden maar ook omdat je altijd met geldzorgen bezig bent en voortdurend moet rekenen. ‘Geld krijgt zo’n overheersende plaats in je hoofd dat je geen echte aandacht meer kunt hebben voor iets anders’ zei een uitkeringsgerechtigde eens tegen me.

Condities en voorwaarden
Behoeftehiërarchie (Maslov)

Voor een gewoon menselijk functioneren moet aan verschillende voorwaarden voldaan zijn. Ik zal dit aangeven met de bekende behoeftehiërarchie van Maslov: De eerste behoeften zijn, eten, drinken, kleding en een dak boven je hoofd. Dan volgen de behoefte aan veiligheid, zekerheid, de sociale behoeften. Tenslotte komen de behoeften aan erkenning en zelfontplooiing aan bod.

Als we nu vanuit deze behoeftehiërarchie kijken naar de positie van burgers in de bijstand dan is het duidelijk dat onze discussiestelling van vandaag de vinger op de zere plek legt. Pas nadat aan de basisbehoeften is voldaan kunnen mensen de volgende stappen zetten. Rust, zekerheid, je veilig voelen, sociaal meedoen als persoon, kortom ‘lekker in je vel zitten’. In de ideale situatie kun je echt participeren. Dat betekent erbij horen en meedoen. Je bent in staat jezelf te ontwikkelen en kunt een bijdrage leveren aan de gemeenschap. Dat is volwaardig burgerschap. Dat is wat Trudy van Asperen bedoelde: je bent in staat om niet alleen je eigen belang na te streven, maar je kunt ook als burger een bijdrage leveren aan de gemeenschap. Dat kan op vele manieren, als buurtbewoner, in een oudercommissie, in de politiek en natuurlijk ook als lid van een cliëntenraad of panel.

Cliëntenparticipatie

Cliëntenparticipatie biedt uitkeringsgerechtigden een mogelijkheid om gebruik te maken van hun burgerrecht. Door een uitkering komen mensen aan hun recht; door te participeren komen mensen tot hun recht, als persoon en als burger. Uitkeringsgerechtigden treden op met recht omdat in de ABW en in de OSV het recht op participatie is opgenomen. Zij treden op met reden omdat er in hun positie nog veel zaken verbeterd kunnen worden.

Mensen ‘horen’ is uiting van het ‘beginsel behoorlijk bestuur’. Zij dienen op grond van hun burgerschap door de overheid serieus genomen te worden. Dat betreft zowel in hun eigen individuele situatie maar ook als vertegenwoordigers van een grote groep medeburgers. Uitkeringsgerechtigden hebben een eigen visie op de situatie waarin zij verkeren, zij zijn ‘ervaringsdeskundigen’. Zij zijn daardoor een belangrijke gesprekspartner voor zowel de overheid als de uitvoeringsorganisatie en behoren in het participatieproces als ‘derde partij’ een plaats te hebben. Elders heb ik dit verder uitgewerkt in een ‘top tien van belangen’ (zie literatuuropgave).

Suggesties
Participatiewet

Ik bepleit dat er een Participatiewet moet komen die dat recht sterker wettelijk verankert. De huidige bepalingen in de Abw en de OSV zijn een waardevol begin, maar veel te beperkt. Ik verwacht niet dat die Participatiewet er snel zal komen. Dat is niet zo erg, mijns inziens kunnen we heel goed nu op allerhande terreinen ervaring opdoen, modellen uitproberen en al lerende en werkende een goede Participatiewet ontwikkelen.

We hoeven niet opnieuw het wiel uit te vinden. Er zijn reeds goede voorbeelden: De Wet op de Ondernemingsraden, de Wet Medezeggenschap Cliënten in de Zorgsector, de Wet op de medische behandeling en de Huurderswet. Daar kunnen we een zekere ‘vertaling’ van maken naar de positie van uitkeringsgerechtigden toe. (Michiel Gorsse heeft dit onlangs gedaan met betrekking tot de Wet op de Ondernemingsraden).

Lokale overheid
Deze overheid behoort participatie te faciliëren. Zij moet de zelforganisatie van de belanghebbenden bevorderen door erkenning en desgewenst ondersteuning.

Krachten bundelen / derde partij
De uitkeringsgerechtigden dienen hun krachten te bundelen en sterke organisaties op te bouwen die als onderhandelaars, als derde partij met de overheid en de uitvoeringsorganisaties in de slag kunnen gaan. Daarbij is de assistentie van ‘medestanders’ hard nodig.

Recente ontwikkelingen
Er zijn interessante ontwikkelingen in de vormen waarin uitkeringsgerechtigden zich organiseren en participatie vorm geven. Gezien de tijd beperk ik mij tot het noemen van een paar voorbeelden.

In Utrecht functioneert al jaren een sterke cliëntenraad, die als volwaardig gesprekspartner functioneert. Maar ook in uw eigen provincie zijn zulke raden zeker aanwezig. Ik was zijdelings betrokken bij een opstartproject in Dieren. Het is een interessante ontwikkeling. Een ander voorbeeld is Rotterdam. Daar is men pas heel laat - in 1997 - gestart met panels in de verschillende stadsdelen. Na een jaar is dit grondig geëvalueerd en bijgesteld. In Noord-Holland loopt een project waarin het Opbouwwerk zich profileert als ‘organisator van cliëntenparticipatie’ met betrekking tot het CWI. Nathalie Brocken schreef een interessante scriptie over het SIRU-model. Als laatste noem ik het Landelijk Procesmanagement SWI dat onlangs een handreiking heeft uitgebracht.

Tenslotte
Participeren is mensenwerk. Basisvoorwaarden om dit proces te doen slagen zijn integriteit, respect, wijsheid, inzet, doorzettingsvermogen en geduld. En een beetje humor kan ook geen kwaad. Ik dank u voor uw aandacht.

Literatuursuggesties en bronnen

  1. Asperen, Trudy van, Twee democratische tradities in Filosofie en praktijk, Muiderberg 1984.
  2. Beleid & Maatschappij, jaarboek 1990, Kiezen en verdelen, selectie van burgers als interventiestrategie, Meppel 1991.
  3. Idem, jaarboek 1991, De Staat van de burger, Meppel 1992.
  4. Brocken, Natalie, Inspraak in overleg. Een onderzoek naar cliëntenparticipatie in de sociale zekerheid, Tilburg 1999.
  5. Jansen, Leni, Met enige deelneming (dissertatie), Den Haag 1991.
  6. Idem, Tussen gunst en recht, Alphen aan den Rijn 1997.
  7. Interview met Nico Rijks: Het welzijnswerk als organisator van cliëntenparticipatie.    Noord Hollands model kiest voor een afwijkende opzet in Lec-bulletin nr. 4, Utrecht    1999.
  8. SWI Samenwerking werk & inkomen, Cliëntenraadpleging à la Carte, Den Haag    1999. 

Tom Louman; reactie op de stelling

Reageer eens op die stelling. Laat ik dan eerst zeggen dat ik vind dat we met elkaar verschrikkelijk goed op moeten passen dat we niemand in onze samenleving buiten spel zetten. En dan ben ik het wel zo ongeveer met de stelling eens. Ik zal wat over die ƒ800 zeggen. Ik ga u ook een klein beetje vertellen wat wij in Barneveld doen. We zitten in de situatie dat we financieel er goed voorstaan, dus we kunnen van alles en we willen van alles.

Barneveld is mijn eigen dorpje waar ik wel een beetje trots op ben. Dorpje is oneerlijk: we zijn met 50.000 inwoners. Dat betekent dat er in Nederland maar zestig gemeenten groter zijn en 450 kleiner of zo. In Gelderland komen wij na Arnhem, Nijmegen, Apeldoorn, Ede. We hebben ongeveer 1% mensen die op een Abw-uitkering zijn aangewezen, dat is niet zoveel. En u moet ook nog weten dat we een overspannen arbeidsmarkt hebben, zodat er wel eens mensen ‘s morgens de afdeling binnenkomen en ‘s middags werk hebben. Dus we zitten in een hele luxe, voordelige positie.

De laatste jaren, zo bij die nieuwe Abw, werden ook wij overvallen met allerlei initiatieven uit het land. Gemeentes gingen de krant voor minima vergoeden en ik las laatst iets over relatiecursussen die je kon krijgen. Het ene na het andere initiatief is netjes, fatsoenlijk, leuk, goedbedoeld. Wij hadden niet zo’n zin om aan die wedstrijd mee te doen: wie weet nou het leukste initiatief te bedenken voor mensen in de minimasituatie. Toen hebben wij gezegd, wij geven die mensen een bedrag, waarmee zij dingen als krant, zwembad, bibliotheek, clubs enzovoort gewoon fatsoenlijk kunnen doen. Een gezin met kinderen krijgt bij ons ƒ700 per jaar. Dus niet helemaal die ƒ800 maar we zitten in de buurt. En dat doen we voor het merendeel automatisch. Zo gauw wij iemand in ons systeem hebben zijn er geen ingewikkelde aanvraagsystemen meer, dan krijg je dat. In een gidsje staat precies waar men recht op heeft. Wie aantoonbaar hoger uitkomt, mag alsnog declareren.

Het is de moeite waard om te vertellen hoe we aan dat bedrag van ƒ700 gekomen zijn. De minimaverordening die we hadden gaf mensen recht op uitkering voor al die sociaal-culturele activiteiten. Dat vraagt natuurlijk een geweldige administratie en boekhouding bij ons en bij de klanten. Dus zeiden we: dan stellen we dat bedrag zo vast dat 80 à 90% van de cliënten er wat aan overhoudt. Zo zijn wij aan ƒ700 gekomen, een aardig bedrag voor de meeste mensen. Dan houden ze er nog iets aan over en dat was ook de bedoeling.

Ik weet dus niet of u ƒ800 per jaar nodig heeft. Dat moet ik van u horen, dat moet u mij maar vertellen. Wij hebben geprobeerd een redelijke lijst van activiteiten op te stellen en dan van onze cliënten te horen wat daar redelijkerwijs voor nodig is. En zolang wij dat betalen kunnen, willen we er mee doorgaan. Is dit politiek allemaal zo te regelen? Ja. We hebben een hele brede raad: ruim éénderde is SGP, RPF en GPV bij elkaar, ongeveer éénderde is CDA en éénderde van de niet confessionele partijen VVD, PvdA, D’66 (VRO Barneveld). In Barneveld willen we niet aan inkomenspolitiek doen, maar wel de scherpe kantjes voor mensen er af halen middels categorale vergoedingen. Want sociaal-culturele activiteiten zijn gewoon nodig.

Op het ogenblik zijn de spelregels zo dat je dit van de gemeente moet ontvangen. Eigenlijk vind ik, als we ‘t over de noodzaak met elkaar eens zijn, dat je mensen niet afhankelijk moet maken van de gemeenten en zeggen: in Barneveld niet en in Amsterdam wel, of andersom. Dan moet je in de normbedragen dit soort zaken verwerken. Het idee van de gemeente vult wel aan wat structureel te weinig is, dat vind ik fout. Wij moete als gemeente natuurlijk heel goed naar concrete gevallen kijken en ik moet zeggen, daar zijn we gewoon goed in, dat doen we ook echt. We maken óók fouten en dan schamen we ons onze ogen uit ‘t hoofd. Wij willen best individualiseren, maar laat de basis voldoende zijn voor ‘t gros van de mensen.’

Mijnke Bosman; reactie op de stelling

‘Graag even één korte opmerking vooraf. Ik spreek hier weliswaar vanuit de Raad van Kerken maar niet namens de Raad van Kerken. Dit geeft mij de kans om iets ongenuanceerder te zijn dan wanneer ik alle lidkerken, van Syrisch orthodox tot en met Rooms-katholiek, in mijn betoog moet meenemen. Ik ben iemand gevormd door de oecumenische beweging. Mijn taak is hier om de stelling te becommentariëren in het licht van gerechtigheid en de kwaliteit van de samenleving. Eigenlijk kan ik er heel kort over zijn: in het kader van gerechtigdheid en de kwaliteit van de samenleving vind ik het een snertstelling. Ik vind het geen wenselijke zaak en een maatregel die mijns inziens in onze samenleving, die toch al in allerlei zaken naar mijn idee niet zo ontzettend goed functioneert, nog verder de verkeerde kant uitgaat.

Ik begrijp dat u enige toelichting wilt. Waarom vind ik dit eigenlijk gewoon geen goede stelling? De kerk leeft met een zeker uitzicht en een zeker perspectief. Het is een perspectief van gerechtigheid, van gelijkheid, van kwaliteit, voor iedereen evenzeer. Laatsten zullen eersten zijn, stenen komen ondersteboven en iedereen heeft het recht op een gelijkwaardig bestaan. Dan zijn we, zoals we dat in de kerk noemen, in het koninkrijk der hemelen en daar zijn we in het koninkrijk der Nederlanden absoluut nog niet aangeland. En zolang dit perspectief dus niet verwezenlijkt is, zullen wij er zelf iets aan moeten doen. De kerken doen daar ook best veel aan, ik ben er toch een beetje trots op. De kerken hebben een rol gespeeld om de politiek erop attent te maken dat er armoede is in Nederland, ze hebben in zekere zin aan de wieg hebben gestaan van het armoededebat.

De politiek moet uitvoering geven aan zaken. Wat er volgens mij in Nederland nodig is, is een veel grotere mate van gelijkheid en gelijke kansen. Ik denk aan het kabinet Den Uyl, die als leus had ‘Spreiding van kennis, macht en inkomen’. We zijn er ver vandaan geraakt, de ongelijkheid neemt toe. Daarom denk ik dat in Nederland de tijd rijp is voor de discussie over gerechtvaardigde inkomensverschillen. Hoeveel inkomensverschillen zijn er eigenlijk te verdedigen op grond van dat de één zorgt voor zijn of haar kind en de ander een grote baan heeft in het bedrijfsleven en voortdurend, betaald door anderen, her en der heen vliegt om ons land nog rijker te maken dan het toch al is. Ik weet het niet precies. Maar ik zou denken dat één op vijf al heel aardig zou zijn en ik denk dat er dan een heleboel meer ruimte zou zijn om iets aan de onderkant van de samenleving te doen. Maar ik denk dat die discussie nog niet direct gevoerd zal worden. Wat mij betreft mogen minima - ik vrees dat zolang niet iedereen hetzelfde heeft er altijd minima zullen blijven - absoluut hebben wat ze nodig hebben. En uit allerlei mogelijk onderzoek is intussen gebleken dat het dan gaat om tenminste een verhoging van 15% van het sociaal minimum. Waar hebben we ‘t over als we dan spreken over die ƒ800? Nou, die 15% schijnt niet te kunnen, want men is bang dat er misbruik gemaakt wordt van de regelingen, omdat de mensen die in België zitten met belastingvluchten er dan ook van profiteren. Of ze denken dat de stimulans om te gaan werken er uit raakt of dat de arbeid in Nederland te duur wordt. Enfin u kent al die argumenten, misschien zit er ook wel een kern van waarheid in. Ik vind echter dat uit al die redeneringen voornamelijk een groot wantrouwen spreekt ten opzichte van allen die aan de kant van de samenleving zitten waar het niet zo goed toeven is en dat die langzamerhand wel eens mochten horen, dat hun wensen gerechtvaardigd zijn en dat we daar niet altijd op hoeven afdingen.

Dit alles gezegd zijnde, blijf ik het dus niet zo’n goede maatregel vinden, maar zolang als het is zoals het is en het niet anders kan moet het maar zo. U krijgt dus gemeentelijk maatwerk. Ik vraag me wel af hoe vrij dat dan gaat. Met bonnetjes? En gaat de gemeente dan beoordelen wat sociaal-cultureel is? Ik kan kort zijn. U mag van mij ƒ800 hebben, of ƒ8000. Vijftien procent bij het sociaal minimum op zou wat mij betreft morgen aan de dag gerealiseerd kunnen worden. En zolang het niet zo is, moeten we het maar eens zijn met die stelling. Dank u wel!’

Geert van Rumund; reactie op de stelling

‘U zult misschien, hetzelfde verhaal als uit de gemeente Barneveld. Nee! Want de gemeente Nijmegen staat er financieel niet goed voor. De gemeente Nijmegen telt ongeveer 150.000 inwoners en zeker nog zo’n 8.000 mensen zitten in een uitkering. Daar komt bij de vraag naar bijzondere bijstand van mensen die niet in een Abw-uitkering zitten. Toch wil de gemeente Nijmegen een goed minimabeleid voeren en stopt daar naast het geld dat we van het rijk krijgen voor bijzondere bijstand bijvoorbeeld ook heel veel eigen middelen in.

En nu kom ik op de stelling. Ik ben als Partij van de Arbeid wethouder nogal warmgelopen in de periode van Den Uyl en die kreet van gelijke verdeling van kennis, macht en inkomen spreekt me nog steeds aan. Volgens mij is het op de terreinen kennis en macht allemaal niet zo slecht gegaan, maar op inkomen hadden we het veel beter kunnen doen. Bij de verhouding tussen inkomens gaat het om meer ideologische overwegingen en dan blijft dit een interessant aspect waar je toch ook over moet blijven praten.

Voor de alledaagse praktijk echter kan ik me aardig vinden in de stelling van vandaag. Wilt u naast de kosten die u moet maken voor eten en drinken, kleding, uw woning, ook in de samenleving iets doen en u hebt de pech om langdurig van een minimuminkomen afhankelijk te zijn, dan gaat het met name om dit soort zaken mis. Ik kan me bij het genoemde bedrag alles voorstellen, dat is het goede nieuws.

Het slechte nieuws is, dat het niet meevalt dit politiek te krijgen. De eerste reactie blijft toch: eigenlijk zou het rijk dat bedrag moeten aanvullen. En hoe kan het toch dat het zo goed gaat met iedereen, de getallen van mensen in de uitkering die gaan naar beneden en toch vraagt u als wethouder om meer geld. Dat is een moeilijk uit te leggen verhaal vind ik nog steeds, in de politiek. Ik vind een manifestatie als deze wel een fantastische gelegenheid om die aan te grijpen. En als vervolg daarop ook om de klantenpanels die we in Nijmegen houden een kans te geven. Wat mij betreft denk ik dat de gemeenteraad er wel veel voor voelt om de uitvoeringskosten die gepaard gaan met dit soort zaken, zoveel mogelijk naar beneden te brengen en het bedrag zoveel mogelijk ten goede te laten komen aan de doelgroep, zoals dat zo mooi heet. Ik wil wel die weg op van een bedrag per huishouden voor sociale en culturele participatie. En dan niet met bonnetjes en declareren, maar een vast en vrij te besteden bedrag rond de ƒ1000 voor een gezin.

In het tweede deel van mijn verhaal wil ik het ook hebben over mogelijkheden. Er zijn ook in mijn dagelijkse praktijk schrijnende situaties waarin mensen de weg naar zelfredzaamheid en zelfrespect geblokkeerd zien. Op allerlei manieren raken mensen, vaak buiten hun schuld, aan de rand van de samenleving.

Nu heeft Nijmegen, samen met Arnhem, het geluk in de provincie Gelderland onder het grote stedenbeleid te vallen. En dat kent wel een heleboel bureaucratie, maar heeft ook hele goede dingen met zich meegebracht. We krijgen toch wat meer financiële ruimte om dingen aan te pakken rond de problematiek van de jeugdigen en we kiezen heel nadrukkelijk in Nijmegen ook voor die preventiekant. Je moet er zo vroeg mogelijk bij zijn om dropouts te voorkomen, in de voorschoolse periode al. Mensen bijstaan die zelf in achterstand verkeren en ook vaak in een stukje stad wonen waar veel achterstand is. Ook ben ik er een voorstander van, al valt dit niet bij iedereen goed, de mogelijkheden aan te grijpen die het Rijk geeft rond werk en inkomen, gesubsidieerde arbeid, geld voor sociale activering. Ik denk ook aan goede schuldhulpverlening, zo vroeg mogelijk.

Het gaat mij niet alleen maar om primair dat bedrag toe te kennen. ‘t Gaat er ook om de omgeving te verbeteren en dan heb je het over de leef- en werkomgeving van mensen, over jeugdbeleid en over groepen die echt door het vangnet vallen. Ik doel op verslaafden en dak- en thuislozen. In Nijmegen heb je het dan over duizendtallen. Naast de pure inkomensbenadering is er speciale aandacht nodig voor sociale participatie.’

Diana de Wolff; reactie op de stelling

‘Mevrouw Bosman vindt de stelling een snertstelling, dat is duidelijke taal. Ik deel die mening niet helemaal omdat wat ik goed vind aan de stelling is, dat daarin tot uitdrukking komt dat het sociaal minimum op dit moment te laag is om fatsoenlijk te participeren in deze maatschappij en mee te doen aan culturele en sociale activiteiten. De uitkeringen op het niveau van het sociaal minimum behoeven zeker verbetering in de orde van grootte van het bedrag dat in de stelling wordt genoemd. Moet dat nu via gemeentelijke maatregelen of moet het eigenlijk gewoon door een generieke verhoging van het minimum in Nederland? Ik ben voorstander van dat laatste. Er is wel degelijk ruimte om een nivellerend inkomensbeleid te voeren, waarbij de vele rijken inmiddels in Nederland wat inleveren ten gunste van de verhoging van het sociaal minimum. Er was ook ruimte om te denivelleren in Nederland. Ik wijs erop dat in de afgelopen 20 jaar de koopkracht op het minimum niveau is achteruitgegaan en de koopkracht van de werkenden gemiddeld 20% is gestegen. Er is in 20 jaar tijd een grotere kloof gekomen tussen arm en rijk in Nederland en waar er politieke ruimte was om die kloof te laten groeien, moet die er ook zijn om die kloof weer kleiner te maken of zelfs te dichten. Dat die ruimte er is, is vorige week tijdens de algemene beschouwingen tot op zekere hoogte aangetoond, waar er wat extra geld is gekomen voor minimabeleid. Te weinig naar mijn smaak, maar de tendens gaat de goede kant op.

Te langzaam en te laat, maar aantoonbaar is dat er mogelijkheden zijn om een veel nivellerender beleid te voeren. Voorbeeld: mijn partij heeft vorige week voorgesteld om het sociaal minimum met 2% te verhogen voor het volgend jaar, dat kost 2 miljard; generieke maatregel. Die zou je bijvoorbeeld kunnen betalen, of in ieder geval voor de helft, uit een belasting op vliegtuigstoelen. Als je op iedere vlucht op ieder ticket ƒ36 belasting heft, dan levert dat in 1 jaar 1 miljard op, dan heb je al 1% verhoging van het sociaal minimum bereikt. En zo zijn de voorbeelden legio en ook voor een wat meer specifieke ondersteuning van bepaalde groepen, bijvoorbeeld door de kinderbijslag voor mensen op het minimum fors te verhogen, wat volgens mij ook hard nodig is.

Ik wil nog even aanhaken bij wat Jan Ettema heeft gezegd: armoede is niet alleen een kwestie van geld. Er zijn de drie andere niveaus: toegang tot culturele voorzieningen, je eigen boontjes kunnen doppen en wat Ettema noemt gebroken waardigheid. Het is denk ik precies op die 3 niveaus, dat niet alleen het rijk een verantwoordelijkheid heeft, maar ook de lagere overheden; gemeenten, provincies en ook cliëntenorganisaties zelf. Ik denk dat het een taak is van de provincie om ervoor te zorgen dat een aantal welzijnsvoorzieningen, die overigens in de afgelopen jaren voor een deel ook zijn wegbezuinigd en afgebroken, dat die zich ook weer wat meer richten op de mensen met een minimum inkomen. Voorbeelden: activiteiten op buurtniveau voor kinderen tijdens de schoolvakanties, omdat niet iedereen in Nederland op vakantie kan gaan; computerlessen in de buurthuizen; toegang tot internet voor iedereen; meer mogelijkheden voor vrijwilligerswerk - de gemeente kan dit stimuleren, bijvoorbeeld door een goed premiebeleid in de bijstand.

Aan Leni Jansen beloof ik dat ik haar pleidooi steun voor meer maatregelen om participatie te stimuleren. Ik denk dat het heel goed is als gemeenten, provincies, andere overheden te horen krijgen: Je mag beleid voeren, maar je mag het alleen maar doen in samenspraak met cliëntenorganisaties. Deze cliëntenorganisaties verdienen wat dat betreft veel meer steun dan dat ze tot nu toe van de wetgever hebben gekregen. Nou daarmee heb ik denk ik ook een beetje aan mijn opdracht voldaan om de andere overheden bij dit verhaal te betrekken.’

Debat o.l.v. Jelle de Gruyter
De voornaamste punten uit het debat.

De heer Reefhuis uit Doetinchem geeft een toelichting op zijn spandoek: hij stelt nivellering voor. Op basis van CBS-gegevens 1997 becijfert Reefhuis dat de 2 miljoen huishoudens (30%) met de hoogste inkomens (meer dan) ƒ83.000 besteedbaar inkomen hebben, de 30% laagste inkomens, ook 2 miljoen huishoudens, hebben slechts ƒ19.000 te besteden. Die leven in zorg omdat ze niet goed rond kunnen komen, terwijl de hogere inkomens zo’n ƒ13.000 tot ƒ14.000 overhouden. Reefhuis: ‘Als we nu een beetje opschuiven naar elkaar, de rijksten ƒ8.000 eraf en de armsten ƒ8.000 erbij. Dat kan met dichte portemonnee en met initiatief van de overheid. En als dat in Nederland kan, kan het elders ook. Dat is de goede weg, de kant die we op willen.’

Mijnke Bosman : ‘U begrijpt, ik vind het een uiterst sympathiek voorstel. Of het nou precies zo moet dat kan ik niet overzien, maar goed iets om eens over na te gaan denken. Sympathie, om het op de agenda te krijgen.’

Jelle de Gruyter: ‘Diana de Wolff, enig idee hoe het op de agenda kan worden gezet? Of zijn er dan eerst verkiezingen nodig?’

Diana de Wolff : ‘Zo extreem doorgevoerd, dat zal nu met de huidige politieke samenstelling van de Kamer niet lukken. Maar het is wel goed dat Reefhuis dit op deze manier op de muur heeft geprojecteerd.’ Diana haakt aan bij het door de cabaretier Servaes Custers genoemde verschijnsel van de beleggingswinst, die in Nederland nog onbelast is. ‘Als het straks gaat over het nieuwe belastingplan, dan denk ik dat het ook goed is als uitkeringsgerechtigden zich daarmee bemoeien. In de hele fiscale politiek in Nederland is nog heel veel krom dat dringend rechtzetting behoeft.’

Dan verder over de stelling van deze middag:
Huishoudens die afhankelijk zijn van een minimuminkomen dienen - via gemeentelijke maatregelen - minstens ƒ800 per jaar te ontvangen voor uitgaven:
- in de persoonlijke sfeer - ten behoeve van sociale en culturele participatie

Fieke Schaeffers (EVA Zutphen) : ‘Als ik had geweten dat deze stelling vanmiddag besproken zou worden dan was ik niet gekomen. Tien jaar geleden kregen bijstandsgerechtigden een eenmalige uitkering. Nu gaat deze stelling daar weer op lijken en ondertussen zijn we tien jaar armoede verder.’ Applaus in de zaal.

Forum : ‘Het is duidelijk. In de laatste twintig jaar is de koopkracht van minima 25% achteruit gegaan en ik ben het roerend met u eens dat het (de stelling) in feite veel te kort is.’

Victor Lizama legt namens de organisatie uit hoe men tot de stelling gekomen is. Victor: ‘Aanpak 99 is een landelijk project en het gaat om twee zaken. Enerzijds gaat het om een structurele aanpak en dat moet via de politiek gebeuren. En een andere poot is via de gemeentes. En hier gaat het in Gelderland om: hoe kunnen we voor elkaar krijgen dat op plaatselijke niveau, op gemeentelijke niveau het één en ander kan gebeuren. Vanuit de voorstellen van de plaatselijke groepen komen we afgerond op ongeveer ƒ800 per jaar per huishouden, buiten al de belastingen en nog andere mogelijke maatregelen die op gemeentelijk niveau getroffen kunnen worden. Het gaat hier nu niet om een structurele verbetering van het minimum. Hier gaat het om het gemeentelijke beleid.’

Hanneke Rückert: ‘Ik denk dat het heel duidelijk is dat de ƒ800 een hoge haalbaarheidsfactor heeft. En ik ben het in wezen met alle sprekers eens, dat we al tien jaar lang roepen, we zijn er 25% op achteruit gegaan en dat dat naar Den Haag meegenomen moet worden, want dat is de grote onrechtvaardigheid. Er moet gewoon 25% bij de minimumuitkering en er moet gestopt worden met het verhaal: er kan geen geld bij want dat haalt de werkparticipatie omlaag. Mensen die willen werken die werken wel en mensen die niet kunnen werken en van een uitkering afhankelijk zijn, gaan er gewoon aan onder door. Ze komen stomweg elke maand geld tekort. En dat blijft.’

Jelle : ‘Misschien wil die mevrouw nog even reageren, of bijvoorbeeld aangeven als zij een stelling had mogen kiezen welke het dan geweest was.’

Fieke Schaeffers : ‘Graag zou ik de stelling hebben willen zien: zorgarbeid is arbeid. En ja, dit is inderdaad de lolly die je toegeschoven krijgt en waar dan in tien jaar tijd niets bij op gekomen is. Ik bedoel, wat zitten we hier allemaal te doen, ƒ800 is toch peanuts?’

Zaal: ‘Mag ik hier ook wat over zeggen? Eind jaren zeventig pleitten we met een grote groep vrouwen uit de bijstand in de Tweede Kamer voor ƒ400 per maand erbij. Als ik dit hier hoor blijft het macaroni met een uitje. Het is denigrerend. En hebben we het hier over uitkeringen of ook over mensen met een minimumlooninkomen?’

Reactie Tom Louman: ‘De reguliere bijstand moet voldoende zijn voor een minimaal fatsoenlijk bestaan, dat ben ik met u eens. De verantwoordelijkheid voor de hoogte van de bijstand ligt bij de landelijke overheid. De gemeente kan alleen aanvullende maatregelen nemen, zoals dat stukje culturele activiteit redelijkerwijs mogelijk maken.’

Hans Arwert: ‘U bent als wethouder lid van een partij. Hoe zit het met het draagvlak voor structurele generieke maatregelen, waar ik GroenLinks wel over gehoord heb, maar andere partijen niet?’

Tom Louman: ‘Ik vind de uitkering te laag, dat draag ik in mijn politieke wereldje uit. Met de pet van wethouder op doe ik wat binnen de mogelijkheden van het gemeentelijk beleid kan en dat is heel aardig in Barneveld. Maar laten we er geen wedstrijdje van maken!’

Forum: ‘Alle gemeentes zijn vertegenwoordigd in de Vereniging Nederlandse gemeentes. Laten ze daar eens de poot stijf gaan houden dat inkomensbeleid inderdaad beleid is.’

Diana de Wolff : ‘Zoveel mensen zijn het eens dat de uitkeringen te laag zijn, ook bijvoorbeeld binnen het FNV. Toch sloot het FNV binnen de Sociaal Economische Raad een akkoord met de werkgevers waarin alleen voor bijzondere groepen is voorzien in verhoging van de uitkering. Het argument dat generieke verhoging van de uitkering mensen afhoudt van werk is toch achterhaald. Wie de kans heeft om te werken, is al aan het werk. Het gaat nu om de groep voor wie de arbeidsmarkt gesloten blijft. En aan de onderkant van de arbeidsmarkt moet de beloning worden bijgesteld, denk aan alfahulpen die in de zorgsector het zware en vuile werk opknappen.’

Wil van Spanje merkt op dat de FNV Vrouwenbond zeker opkomt voor de bijstandsgerechtigden.

Digna van Ballegooijen (FNV) vult aan: ‘Als uitkeringsgerechtigden binnen de FNV proberen we zoveel mogelijk te bereiken, ook landelijke verhoging van het minimum. De FNV is echter wel een club die mikt op haalbaarheid en wat op kortere termijn te realiseren is. En dat is een manier van werken, waarbij we elkaar juist zouden kunnen versterken als er vanuit de club van bijvoorbeeld de bijstandsvrouwen stevige eisen komen. De FNV heeft vorig jaar eisen geformuleerd, deels voor verhoging voor iedereen, deels voor doelgroepen. Met onder andere Groen Links en CDA zijn er gezamenlijke standpunten. Binnen de SER is het maximaal haalbare verkregen, want met de werkgevers is het nog wat moeilijk afspreken. Zoals Diana de Wolff al zei, kamerbreed zit een hele stevige verhoging van het minimum er niet in. We zoeken allerlei wegen om toch een eindje verder te komen. En één van die wegen is ook het verhaal van het gemeentelijk minimabeleid, waarbij je dan heel sterk moet koppelen aan eisen op het gebied van een echte verhoging van het minimum.’

Jelle: ‘Wat is de mening van de andere wethouder in ons midden over de taak als lokale overheid, de partijpolitieke mogelijkheden en de VNG?’

Geert van Rumund : ‘Ja, wat kan ik doen als bondgenoot?
Om bij de lokale overheid te beginnen, dat we daar het maximale moeten zoeken wat binnen de mogelijkheden ligt. Weghonen van een bedrag als ƒ800 zoals het hier naar voren is gebracht, zou ik het verkeerde signaal vinden naar de lokale overheid. Het is een druppel op een gloeiende plaat, maar meer dan dat is er vaak niet te halen. En dan de partijkanalen die mijn collega wethouder Partij van de Arbeid ook kent. Op de congressen waar de verkiezingsprogramma’s worden vastgesteld, wordt er altijd over gesproken, worden er ook altijd amendementen aangenomen, wordt het ook als opdracht meegegeven, maar de haalbaarheid is beperkt. Als regeringscoalitie kun je er niet mee uit de voeten zoals wij dat als partij zouden willen. Ik denk wel dat je het debat moet blijven opzoeken. En het VNG, ik was te gast een paar weken terug bij de commissie sociale zaken van de VNG ook om te praten over sociale werkvoorziening en alle arbeidsmarktinstrumenten die er zijn. Daar is ook het onderwerp armoede en armoedeval bespiegeld en ook daar komt men langzamerhand tot de conclusie dat gezamenlijk lobbyen voor een structurele verhoging van dat minimum loon of daaraan gekoppeld de uitkeringen de enige oplossing is. Dus het draagvlak is aan het komen, ik denk dat we elkaar als bondgenoten daarin moeten blijven opzoeken. Blijf het verhaal vertellen wat in de alledaagse praktijk armoede betekent. Er zijn nog altijd mensen op beleidsniveau die niet echt weten wat armoede in de praktijk betekent. Het verhaal moet dus verteld worden. Ook daarin vind ik dat we als lokaal bestuur een bondgenoot kunnen zijn.’

Marja Jansen (Mensen in de Bijstand, Rheden) : ‘Er zijn inderdaad gemeentes die al zo’n bedrag geven voor culturele activiteiten, Rheden ook. Aan de heer Rumund wil ik zeggen, heel goed dat u bondgenoot bent. Ziet u nu collega’s of collega-gemeenten via de VNG of als u met elkaar aan de borrel staat, zoek dan bondgenoten zodat we met elkaar de onderkant van de samenleving meer draagvlak geven. Ik trek iedere keer weer mensen aan de jas dat het zo niet langer gaat. Dat doen wij via krantenknipsels, via onze knipselkrant, via toespraken, via inspraak, door te lobbyen. En steeds weer lijkt het of mensen niet willen horen, of bestuurders Oost-Indisch doof zijn. En wie wel wil luisteren kan voor zijn collega’s vaak niet. Ik stel voor dat u aan de minima of aan de provinciale Aanpak ‘99 of de landelijke organisaties bekend maakt wie binnen de gemeentes onze bondgenoten zijn.

Er worden nieuwe groepjes gevormd - stuurgroepen of projectgroepen - op initiatief van de overheid en het werk van bestaande belangengroepen als MidB wordt niet meer erkend als vrijwilligerswerk. Mijn probleem: de gemeente Rheden wil na 6 jaar niet langer de stichting Mensen in de Bijstand als gesprekspartner, maar vraagt ons dat we zitting nemen in de op te richten cliëntenraad. MidB mist de menskracht om dit te doen: wie moet de beleidsstukken lezen? Wie enigszins arbeidsgeschikt is wordt aan het werk gezet en wie binnen MidB actief en deskundig zijn hebben de handen vol aan individuele belangenbehartiging. Al 6 jaar geeft MidB beleidsadvies aan de gemeente vanuit stichtingsoogpunt en dat willen wij blijven doen. Ik vraag hier, mag de gemeente ons buitenspel zetten? We zijn niet tegen de cliëntenraad maar willen op onze manier aan het beleid bijdragen. Wat is de oplossing?’

Leni Jansen : ‘Ik ken de plaatselijke situatie niet, heb indertijd slechts als buitenstaander advies gegeven over de opzet van cliëntenparticipatie. Wel vind ik in het algemeen dat de gemeente ruimte moet scheppen voor mensen die hun burgerschap waarmaken in een cliëntenraad, door hen bijvoorbeeld vrij te stellen van sollicitatieplicht.’

Jan Ettema adviseert ondersteuning te vragen bij het Landelijk Netwerk Cliëntenoverleg op de Cahorsdreef in Utrecht of bij het samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk.

Marja Jansen : ‘Ik wil nog noemen ons huiskamerproject in Velp, helemaal draaiend op vrijwilligers, allen uitkeringsgerechtigd. Wij willen erkenning voor dit stuk sociale activering. We zijn een heel solidaire groep en we willen dit niet stuk laten gaan door verplichtingen aan een cliëntenraad of wat dan ook.’

De EVA-groep Zutphen vult aan dat ook in Zutphen de gemeente alleen de cliëntenraad als gesprekspartner wil. De cliëntenraad ondersteunt echter niet altijd initiatieven van (kleine) groepen. Zo worden bijvoorbeeld vrouwen die een actie rond de sollicitatieplicht wilden ontketenen door de EVA-groep ondersteund, omdat de cliëntenraad dit weigerde te doen.

Jelle : ‘Hier ligt voor de organisatie een concrete aanvulling op de verbeterpunten rond medezeggenschap.’

Zaal : ‘Nog twee vragen. De stelling dat mensen niet gestimuleerd worden te gaan werken als je extra financiële middelen geeft is achterhaald, zo is hier gezegd door Diana de Wolff. Welk argument kunnen we daarvoor gebruiken? Tweede vraag: er is begrip voor mensen met een gebroken waardigheid en er wordt gepleit voor hun sociale, psychologische en culturele behoeften. Hoe vrijblijvend is dit begrip? Kunnen mensen die achter de (beleids)tafel zitten naar Den Haag om te bepleiten dat dit beleid structureel wordt en niet loketafhankelijk?’

Diana de Wolff over de eerste vraag: ‘Als je de uitkeringen verhoogt gaan mensen niet meer werken, met dat argument moet je volgens mij niet meegaan. Dit ook als reactie op de FNV, die terecht bondgenoten zoekt, maar dit argument niet zou moeten accepteren. Volgens mij is juist het tegendeel waar, dat structurele verarming van mensen een belemmering vormt voor de stap naar werk. Ettema heeft het over schulden gehad. Heel veel mensen met schulden kunnen juist de stap naar werk niet zetten omdat die schulden een belemmering vormen. Of mensen durven niet te solliciteren omdat ze de deur niet meer uitkomen en geen geld hebben om zich fatsoenlijk te kleden om nog kans te maken bij sollicitaties. Volgens mij is het zo dat heel veel mensen die nu van een minimumuitkering afhankelijk zijn de stap naar werk niet zetten vanwege leeftijd of vanwege een handicap of vanwege langdurige werkloosheid en dat moet je dan niet telkens als argument hanteren om die uitkeringen maar laag te houden.’

Tom Louman : ‘Ten eerste, globaal is het inderdaad zo dat mensen niet door de hoogte van de uitkering van werk afgehouden worden. Dat tweede, ga nou eens achter het loket vandaan naar Den Haag toe, ja weet u het is zo makkelijk om ja te zeggen, het is ook zo makkelijk voor u om te roepen. Natuurlijk hebben we verantwoordelijkheid. Ik durf te zeggen, wij werken gewoon keihard en we doen van alles en nog wat. Als u mij vraagt te beloven dat er dankzij mijn inspanningen in Den Haag allemaal mooie dingen gebeuren, dan lieg ik gewoon, want dat maak ik niet waar. Als u zegt wil jij alsjeblieft je best doen, ja dat wil ik natuurlijk. Maar het is gewoon flauwekul, niet dat ik het niet wil, maar ik heb hier mijn handen vol aan.’

Zaal : ‘Heel even iets recht zetten. Het lijkt net of ik tegen die stelling was, maar ik kom uit Nijmegen en wij hebben vanmorgen toevallig aan de wethouder dus ook van alles aangeboden en één van onze dingen lijkt een beetje op wat hier staat. De goede wil is er in Nijmegen best wel. Maar je bent wel afhankelijk van de centen van de financiële wethouder en aangezien die in Nijmegen de prioriteiten in ieder geval ergens anders gaat leggen hoogstwaarschijnlijk, zeven miljoen in een schouwburg en al het culturele waar ontzettend veel tekorten zijn, dan zie ik het lijk al drijven in Nijmegen. Vandaar mijn pleidooi dat het landelijk beter geregeld moet worden, nu blijf je afhankelijk van de gemeentelijke goedgevigheid, zeg maar en ik weet niet of je dat in Nijmegen voor elkaar krijgt.’

Instemming vanuit het forum. Jelle : ‘Wat doen we nu met de stelling van vandaag?’

Mijnke Bosman : ‘Drie punten. In de eerste plaats, ik vind de kreet gebroken waardigheid eigenlijk afschuwelijk, omdat ik diep onder de indruk ben van de waardigheid die heel veel mensen op minimumniveau heel creatief en heel goed weten te houden alle jaren door. Kortom waardig, niet gebroken. Tweede plaats, de kerk, hoe slecht die het af en toe ook misschien in uw ogen doet, heeft wel een soort verbond gesloten met FNV, het Humanistisch Verbond en CNV. In een soort armoedeplatform wordt er voortdurend getrokken ook aan FNV en CNV om ze met zijn allen steeds een stukje verder te krijgen. CNV is in deze eerlijk gezegd nog veel lastiger dan FNV, die willen helemaal geen generieke maatregelen. Dit platform heeft onlangs een coalitieberaad in Den Haag georganiseerd waar alle politieke partijen waren. Niet dat er direct veel is bereikt, maar we doen ons best. Het derde punt is de stelling. Misschien heb ik wel mee veroorzaakt dat de discussie zo ontzettend gegaan is naar de richting ‘de stelling deugt niet’. Dat is ook zo en dat vind ik nog steeds, maar zo lang het niet anders kan denk ik, altijd beter iets dan niets. Ik denk dat we met ons allen moeten steunen, dat Aanpak deze stelling lokaal en provinciaal hoog op de agenda zet, met daarbij tegelijkertijd de kanttekening: het is de oplossing niet, ‘t is next best en we moeten eraan trekken dat die andere oplossing - de structurele - er ook komt.’

Alom instemming.

Uit de zaal wordt nog genoemd de werkgroep Arme Kant van Nederland, die al jaren actief op de bres staat voor een gelijker verdeling van rijkdom (zie ook de actie van de heer Reefhuis, lid AKN Doetinchem). Hans Arwert geeft aan dat het gemeentelijk minimabeleid een signaalfunctie kan hebben naar de landelijke politiek en dat gemeentes, evenals diaconieën, kunnen ‘helpen onder protest’.

Een VVD-raadslid uit Neede becijfert dat in zijn gemeente circa 400 uitkeringsgerechtigden zijn. Een bedrag van ƒ800 per jaar kost de gemeente dus 2 1/2 ton, ofwel de onroerendezaakbelasting zou 10% moeten stijgen. Verder waarschuwt hij voor stijging van het minimumloon, zoals voorgesteld door Diana de Wolff, omdat dit werkgelegenheid zal kosten. Diana de Wolff repliceert dat het gaat om een lastenverlichting voor de onderkant van het loongebouw, zonder stijging van de loonkosten.

Einde debat.

Aanbieden van de Gelderse beleidsvoorstellen

Marja Jansen, voorzitter Mensen in de Bijstand, Rheden, biedt de Gelderse beleidsvoorstellen aan, aan Marianne Teer, Directeur Dienst Ruimte, Economie en Welzijn, Provincie Gelderland en Saskia Noorman - Den Uyl, lid van de Tweede Kamer voor de PvdA en vice-voorzitter van de Vaste Kamercommissie Welzijn.
Marja Jansen
biedt de verbeterpunten, beleidsvoorstellen van de plaatselijke groepen in Gelderland aan, zoals ook aangeboden aan de lokale overheden. Zij maakt van de gelegenheid gebruik ook het ‘Maximabeleid 2000’ van haar eigen groep aan te bieden. Alles wat in het koffertje zit gaat ook op 14 oktober naar de Sociale Conferentie.

Saskia Noorman-Den Uyl; bij de beleidsvoorstellen
‘Ik wil er iets van zeggen. Mag dat? Ik heb aangeboden gekregen een pak met beleidsvoorstellen. Nou moet ik u zeggen, ik heb mogen spieken, want anders dacht u, ja wat komt ze hier, komt ze binnenstormen, weet ze niet waar het over gaat. Maar ik heb mogen spieken van tevoren. Dus ik wist wel ongeveer wat er komen zou. En ook dit gekregen, wat heel belangrijk is, want dat is gemaakt door mensen die weten waar ze het over hebben. Namelijk de mensen om wie het gaat, die zelf problemen hebben met inkomen, uitkering, rond moeten komen met een laag inkomen. Want dat is een probleem, voorwaar geen pretje. En dat besef ik donders goed. Eerst verontschuldig ik me voor het feit dat ik hier niet de hele middag kon zijn. U moet weten dat het kabinet pas een plan had om iets te doen met moeders in de bijstand. De manier waarop dat begon, dat beviel mij niet, dus ik was nu even op en neer - gelukkig hoefde ik niet zelf te rijden - naar Hilversum om voor de radio uit te leggen waarom ik dat niet zo’n goed idee vind. Ik denk dat andere ideeën beter zijn. En ik vond dat de moeite waard. Nu wil ik terugkomen op de reden waarom u hier allemaal bent en waarom ik hier ook ben aan het eind van een dag waarin u met elkaar gediscussieerd heeft vanuit verschillende deskundigheid, ervaringen, gevoelens over wat het is om niet genoeg geld te hebben om rond te komen, of niet genoeg geld om mee te kunnen doen, of te hoge lasten waar je iedere keer verdrietig van wordt, of soms heb je weinig inkomen, je hebt je trots en weet dat je er wel net misschien van rond kan komen, maar je hebt gewoon het gevoel dat het niet eerlijk is hoe de zaken in Nederland verdeeld zijn. Allemaal dingen die een rol spelen. En wat doet de politiek dan? Aan de kant zitten en niks? Nou, zo was het ook weer niet. Mag ik daar nog iets van zeggen? Ik ben in 1994 naar de Tweede Kamer gegaan. Daarvoor was ik directeur van de Sociale Dienst in Leiden. En ik had in het werk en in gesprekken met cliënten gemerkt, dat je op gemeentelijk niveau best veel kan, veel meer. Een groot deel van de adviezen die hierin staan die kan je op gemeentelijk niveau beslissen. Daar is ook geld voor, betekent dus ook dat ik vind, dat mensen als het even kan zich moeten gaan bemoeien met de lokale politiek, politieke partijen, want zo’n gemeenteraadslid woont bij u voor de deur, om de hoek. En als het niet bevalt wat daar gebeurt, dan zorgt u dat u daar zelf via zo’n partij aan de bak mee komt, met de mensen die net zo denken als u. Want de lokale politiek wordt door ons allemaal gemaakt en daar heeft iedereen direct een beslissing op. Een groot deel van de voorstellen die hier in staan die gebeuren onder invloed van lokaal bestuur, maar een ander deel van die voorstellen, ja daar moet je wetten voor veranderen. En dat is één van de redenen waarom ik naar de Tweede Kamer wou, omdat ik wou dat wetten soms wat anders, wat rechtvaardiger en billijker waren. Eén van de dingen die ik in Leiden had ervaren was dat bijvoorbeeld bijzondere bijstand heel moeilijk toegankelijk was, je moest ieder bonnetje inleveren, je hemd van je lijf werd gevraagd, terwijl mensen die lang een laag inkomen hebben gewoon wat extra geld nodig hebben. Luister, ik heb zelf voorgesteld om te komen tot categoraal beleid in de bijzondere bijstand waardoor de gemeentes niet meer precies alles volgens het bonnetje, achteraf zouden kunnen vergoeden als het ging om bijzondere bijstand. Maar dat ze mensen die lang een laag inkomen hebben, gewoon één keer per jaar, sommige gemeentes doen het één keer per drie jaar, een bepaald bedrag kunnen geven, waarbij je niet van iedere aankoop hoeft te vertellen wat je ermee gedaan had, want mensen zijn mans genoeg en vrouws genoeg om te bedenken wat ze echt nodig hebben. Die gemeentes moesten daar wel geld voor hebben, dus we hebben er vierhonderd miljoen bij gedaan, bij die bijzondere bijstand. Minister Melkert, ik moet hem nageven, toen hij minister van Sociale Zaken was, heeft veel geld geïnvesteerd in mensen die het moeilijk hadden. En die bijzondere bijstand is er één van. Nu is het dus mogelijk voor gemeentes, voor mensen die lang een laag inkomen hebben, of ieder jaar een wat lager bedrag of eens per drie jaar bijvoorbeeld ƒ1.500, ja dan kan je echt iets kopen, dat je anders niet bij elkaar kan sparen. De gemeente mag afspreken hoe ze het doen, maar ze mogen het en ze hebben het geld ervoor gehad. Dus als u in een gemeente woont waar ze dat nog niet goed of goed genoeg doen, weet dan dat het kan en zorg dan dat er druk op de politiek wordt uitgeoefend op lokaal niveau. Dat kunt u zelf, met politieke partijen maar ook met maatschappelijke organisaties, kerkelijke organisaties, vakbonden, ouderenbonden, want er zijn nog altijd veel te veel ouderen die lang een laag inkomen hebben, alleen maar AOW en het best moeilijk hebben. Er is de afgelopen jaren wel wat veranderd, uiteindelijk heeft het vorige kabinet 1,6 miljard geïnvesteerd.’

Marianne Teer; bij de beleidsvoorstellen
Marianne Teer heeft als vertegenwoordigster van de provinciale overheid de Gelderse beleidsvoorstellen in ontvangst genomen. Ze maakte vervolgens duidelijk dat de provincie geen directe invloed in het minimabeleid heeft. De provincie is wel van plan, via het welzijnsbeleid, de provinciale ondersteunende instellingen te subsidiëren om de cliëntenparticipatie op lokaal niveau te bevorderen. In de komende beleidsperiode wil de provincie juist dit beleid accentueren. Hiervoor zal de provincie in gesprek gaan met gemeentes en ondersteunende instellingen om vorm te geven aan dit beleidsaspect. De provincie heeft namelijk ook de ambitie om meer betrokkenen te raken met activiteiten die de maatschappelijke participatie van Gelderse burgers bevorderen. Vandaar dat de provincie ook voor deze activiteit een financiële bijdrage heeft geleverd. Ze hoopt dat deze activiteit - en de uitkomsten ervan - het werk van de uitkeringsgerechtigden en het werk van de gemeentes op het gebied van minimabeleid stimuleert.

Afkortingen
ABW Algemenen bijstandwet
AKN Arme kant van Nederland
AOW Algemene ouderdomswet
CBS Centraal bureau voor de statistiek
CNV Christelijke nationaal vakverbond
CWI Centra voor werk en inkomen
EVA Economie, vrouw en armoede
FNV Federatie Nederlandse vakbeweging
GGD Gemeentelijke gezondheids dienst
Hemag Hervormd maatschappelijk activeringswerk
KCMA Katholiek centrum voor maatschappelijk activeringswerk
MA-WERK Maatschappelijke activeringswerk
MidB Mensen in de bijstand
OSV Organisatiewet sociale verzekering
REA (Re)integratie arbeidsgehandicapten
SER Sociaal-economische raad
VNG Vereniging van Nederlandse gemeentes

terug

ESN