Home Activiteiten Publicaties Expertisecentrum Contact Groter
logo
Armoede Gelders aangepakt

Voorwoord

Voor u ligt het rapport van de gehouden evaluatie van de Gelderse Aanpak: ‘Armoede Gelders aangepakt'. Effecten van de Gelderse beleidsvoorstellen 1999’. Het voornaamste doel van de Gelderse Aanpak voor het jaar 2000 is het verkrijgen van een beeld - een momentopname - in het lokaal anti-armoede werk teneinde dat werk te kunnen verbeteren. Het lokale anti-armoede werk dat groepen van uitkeringsgerechtigden doen beoogt immers het bijdragen – in welke vorm van participatie dan ook – aan het totstandkomen, uit­voeren en evalueren van het gemeentelijke anti-armoedebeleid.

Bij het verkrijgen van informatie voor deze evaluatie zijn zowel lokale groepen van uitkeringsgerechtigden als Gelderse gemeenten betrokken. Hierbij vormden de verbeterpunten van 1999 het vertrekpunt. Dit rapport geeft de uitkomsten van de gehouden evaluatie weer. Hieraan worden een aantal algemene conclusies verbonden en er worden aanbevelingen gedaan voor de voortzetting van het anti­armoede werk op gemeentelijke niveau.

Daar dit rapport een aantal inhoudelijke en organisatorische signalen bevat zal het ter beschikking gesteld worden aan zowel de lokale groepen als aan de Gelderse gemeenten ter ondersteuning van het werk. Tevens zal dit rapport aan de provincie Gelderland aangebo­den worden als signaal van het bereik en de complexiteit van het vele werk dat op lokaal niveau gebeurt en de noodzaak om het te blij­ven stimuleren en ondersteunen. De Vaste Kamercommissie Welzijn zal dit rapport ook ontvangen ter informatie over de situatie in Gelderland op het gebied van het anti-armoede werk. Daarnaast zal dit evaluatierapport aan Minister Vermeend aangeboden worden, in het kader van de laatste Sociale Conferentie.

Deze evaluatie was uiteraard niet mogelijk geweest zonder de medewerking van tientallen lokale groepen en gemeenten alsmede de individuele inzet van veel vrijwilligers om de informatie te verzamelen. Al die inspanningen worden zeer gewaardeerd. Ook gaat een woord van dank uit naar de deelnemers van de gehouden bijeenkomst op 26 september jongstleden die een eerste commentaar op het rapport leverden, in het bijzonder naar Mevrouw Dr. Leni Jansen, onderzoekster en deskundige op het gebied van cliëntenparticipatie, die deze bijeenkomst met een zeer constructieve en onderbouwde inleiding prikkelde tot discussie. Hoewel de Gelders Aanpak 2000 uitgevoerd wordt door het samenwerkingsverband berust de eindverantwoording bij de uitvoerders van het onderzoek de heren Paul Nunnink van het Werklozencentrum Unitas Nijmegen en Victor Lizama van Stichting Hemag.

Oktober, 2000. Paul Nunnink, Victor Lizama

Inhoud

Voorwoord
1 Samenvatting
1.1 Tendensen
1.2 Resultaten
1.3 Conclusies
1.4 Aanbevelingen
1.4.1 Overleg en inspraak
1.4.2 Bijzondere bijstand
1.4.3 Signalen naar het land
2 Evaluatie Gelderse Aanpak
2.1 Achtergronden
2.2 Gelderse Aanpak
2.3 Ontwikkelingen binnen Aanpak
2.4 Lokale ontwikkelingen
2.5 Opzet van het onderzoek
2.5.1 Onderzochten en respons
2.5.2 Geldigheid
3 Het speelveld
3.1 Lokale groepen van uitkeringsgerechtigden
3.1.1 Profiel van lokale groepen
3.1.2 Overleg en informatie
3.1.3 Deelname van lokale groepen aan Aanpak
3.2 Gemeenten
3.2.1 Omgaan met groepen van uitkeringsgerechtigden
3.2.2 Gemeentelijk anti-armoedebeleid
3.2.3 Gemeenten en Aanpak
4 De thema’s van Aanpak
4.1 De thema’s
4.2 Prioriteiten van groepen uitkeringsgerechtigden
4.3 Prioriteiten van gemeenten
4.4 Tenslotte
5 Gelderse beleidsvoorstellen
5.1 Ingediende verbeterpunten
5.1.1 Honorering van ingediende verbeterpunten
5.1.2 Tevredenheid van lokale groepen
5.2 De ontvangen verbeterpunten
5.2.1 Honorering van ontvangen verbeterpunten
5.3 Tenslotte
6 Van verbeterpunten naar gemeentelijk beleid
6.1 Het proces van de groepen
6.1.1 Inspraak
6.1.2 Initiatief
6.1.3Wijze van presentatie
6.1.4 Nieuwe punten
6.2 Het proces van de gemeenten
6.2.1 Ruimte voor inspraak
6.2.2 Initiatief tot overleg
6.2.3 Presentatie van beleidswensen door de groepen
Noten
Aanbevolen literatuur

1 Samenvatting

In 1995 werd de VN-conferentie – bekend als de Sociale Top – in Kopenhagen gehouden, waar de deelnemende landen zich aan het bestrijden van armoede in eigen land committeerden. Dit ‘commitment’ resulteerde in de erkenning door de overheid dat in Nederland sprake was van stille armoede. Deze erkenning leidde hetzelfde jaar tot uitbrengen door de overheid van de nota ‘De andere kant van Nederland. Over preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting’ 1 en het beschikbaar stellen van middelen om onder andere een reeks van vijf jaarlijkse sociale conferenties te organiseren. Deze conferenties zouden meer inzicht moeten geven in de uitslui­tingsmechanismen die ten grondslag liggen aan het ontstaan en voortbestaan van armoede.

Ervaringsdeskundigen zouden betrokken moeten worden bij deze conferenties. In dat kader is op initiatief van Sjakuus – een samenwerkingsverband voor sociale en economische rechtvaardigheid - het landelijke project Aanpak opgezet.

In 1996 en 1997 beperkten de activiteiten van Aanpak zich in Gelderland tot deelname aan activiteiten die Sjakuus zelf in de provincie organiseerde met medewerking van provinciale organisaties 2en lokale groepen van uitkeringsgerechtigden.3 In 1998 zijn de activiteiten van Aanpak gedelegeerd aan provinciale organisaties .4 Sinds 1999 vervult de stichting Hemag, namens het maatschappelijk activeringswerk in Gelderland, een coördinerende functie in dit project. Zo is de Gelderse Aanpak ontstaan. In 1999 stond het formuleren van verbeterpunten door lokale groepen ter verbetering van het lokale anti-armoedebeleid centraal. Het werk van twintig lokale groepen heeft het formuleren van de Gelderse beleidsvoorstellen 5mogelijk gemaakt. De Gelderse beleidsvoorstellen vormen een zeker programma ter bestrijding van armoede in Gelderland.

Gelderse Aanpak 2000 6 staat in het teken van het leggen van een steviger basis voor het lokale anti-armoede werk door na te gaan hoe dit werk er op dit moment op lokaal niveau uitziet en wat er met de verbeterpunten van 1999 is gebeurd. Daarvoor is een beschrijvend onderzoek opgezet met de volgende vragen:

  • Hoe gaan lokale groepen van uitkeringsgerechtigden en gemeente met elkaar om in het opzetten, uitvoeren en evalueren van het anti-armoedebeleid?
  • Welke invloed op het gemeentelijke beleidsproces kunnen lokale groepen uitoefenen?
  • In welke mate hebben de verbeterpunten van 1999 tot gemeentelijk beleid geleid?
  • Zijn er inhoudelijke dan wel organisatorische signalen te bespeuren die – met het oog op versterking van het werk - een aanpassing in het werk noodzakelijk maken?

In het kader van dit onderzoek zijn 137 lokale groepen en alle 78 Gelderse gemeenten benaderd. De respons van beiden ligt iets boven de 25%, verspreid over de gehele provincie. Dit legitimeert het formuleren van enkele algemene conclusies en een aantal aanbevelingen voor nader onderzoek.

1.1 Tendensen

Op grond van dit onderzoek kan vastgesteld worden dat er twee markante tendensen waar te nemen zijn in het kader van (Gelderse) Aanpak, namelijk:

  • De algemene discussie over armoede wordt anders benaderd – van een slachtofferperspectief naar een burgerschapperspectief – en teruggebracht tot een zestal thema’s. Deze thema’s vormen een raamwerk waarbinnen concrete beleidspunten geformuleerd kunnen worden. In 1999 is dat werk voor het eerst gedaan, zoals eerder is gezegd. In veel gevallen structureren deze verbeterpunten het werk van de lokale groepen met het oog op het beïnvloeden van het gemeentelijke beleid op diverse momenten van het beleidstraject.
  • Er heeft een organisatorische verschuiving van het landelijke – via het provinciale – naar het plaatselijke plaatsgevonden. Het lokale anti-armoede werk krijgt een belangrijker plaats in het geheel hetgeen zowel provinciaal als lokaal wordt gestimuleerd en waar mogelijk ondersteund.

1.2 Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat zowel lokale groepen (80%) als gemeenten (bijna 60%) goed op de hoogte zijn van de Gelderse beleidsvoorstellen. Rond de zes thema’s van Aanpak wordt veelvuldig (bijna 60%) overleg gepleegd tussen lokale groepen en gemeenten. Ook zijn er veel gemeenten (meer dan 60%) die lokale groepen structureel betrekken bij de beleidsvorming.

De tevredenheid van de groepen over de behaalde resultaten is echter matig (rond 30%). Een mogelijke verklaring hiervoor is te vinden in het bestaan van een fundamenteel verschil in het stellen van prioriteiten aan de thema’s van beleid. Werkgelegenheid bijvoorbeeld is voor gemeenten de hoogste prioriteit en voor de groepen – daarentegen – de laagste. Dit geeft blijk van een belangrijk verschil in visie ten aanzien van dit thema, maar dit zegt wellicht ook iets over het functioneren van het overleg om die verschillen te overbruggen.

Op de vraag naar tevredenheid over de behaalde resulta­ten na het indienen van verbeterpunten in 1999 komt een merkwaardig verschil naar voren tussen groepen en gemeenten, namelijk dat de groepen behaalde resultaten anders beoordelen dan gemeenten. De gemeenten erkennen dat in de meeste gevallen de verbeterpunten gedeeltelijk zijn toegekend en zijn daarmee tevreden. Zowel de groepen als de gemeenten stellen dat een aanzienlijk aantal (tussen 35 – 65%) zaken nog steeds in behandeling zijn.

Uit het onderzoek blijkt ook dat een aantal zaken die te maken hebben met de inhoud van het beleid, de organi­satie ervan of de beschikbare middelen meer onderzoek behoeven.

1.3 Conclusies

Op de vraag hoe lokale groepen van uitkeringsgerechtigden en gemeenten met elkaar omgaan in het opzetten, uitvoeren en evalueren van het anti-armoedebeleid, kan vastgesteld worden dat er vrij regelmatig overleg op dit gebied plaatsvindt tussen lokale groepen en ambtenaren dan wel bestuur. In veel gevallen worden de groepen structureel betrokken bij de beleidsvorming en voor con­sultatie achteraf. De groepen geven ook aan tevreden te zijn met de toegang tot informatie van de gemeente. Opvallend is dat nauwelijks overleg plaatsvindt met de politiek en dat de politiek nauwelijks initiatief toont.

Uit het onderzoek is niet eenduidig af te leiden of het werk van de lokale groepen voldoende effecten op het beleid sorteert. Ook is niet helder waaraan dat ligt. De kwantiteit aan overleg zegt weinig over de kwaliteit daarvan en de effecten van de inbreng van uitkeringsgerechtigden in het beleid. Aspecten die een rol kunnen spelen hierin zijn bijvoorbeeld de kwaliteit van de informatie die de groepen ontvangen en het moment waarop. Een ander mogelijk aspect dat debet is aan het niet behalen van de gewenste resultaten zou te maken kunnen hebben met de deskundigheid van de groepen in het formuleren en het presenteren van hun beleidswensen.

De honorering van de ingediende verbeterpunten van 1999 ligt tussen de 10 à 25% met een uitschieter van 38% (inkomen). De gemeenten geven aan circa 30% van de ontvangen verbeterpunten gedeeltelijk te hebben toegekend. Het feit dat een significant percentage van de ver­beterpunten tot gemeentelijk beleid hebben geleid en het feit dat een nog hoger percentage verbeterpunten in behandeling is rechtvaardigt de mening van de groepen dat de Gelderse beleidsvoorstellen alsnog richtinggevend voor het lokale werk dienen te zijn.

Hoewel de groepen in meerderheid (75%) van mening zijn dat de Gelderse beleidsvoorstellen geen aanvulling behoeven werd vooral tijdens de bijeenkomsten van 16 mei en 26 september 2000 de armoedeval genoemd als een punt dat verwerkt moet worden in het Gelderse pro­gramma. Verder werd veel aandacht geschonken aan het functioneren van groepen om het beleid effectiever te kunnen beïnvloeden.

1.4 Aanbevelingen

Het onderzoek leverde 14 aanbevelingen op. Er zijn echter een drietal zaken die extra aandacht
verdienen, namelijk

1.4.1 Overleg en inspraak

Om overleg en inspraak te verbeteren, wordt nadrukkelijk aanbevolen helderheid te krijgen over de vier onderstaande punten.

  • Het lijkt van bijzonder belang te zijn dat men nagaat waarom de politiek zo weinig belangstelling heeft in deze zaken.
  • Er is onvoldoende materiaal om conclusies te kunnen trekken over de mate van participatie die aan de groepen toegekend wordt door gemeenten. Men veronderstelt dat de mate van participatie in nauw verband staat met de kwaliteit van de inspraak.
  • Uit het onderzoek kan men niet concluderen of de ontvangen informatie en het moment waarop de groepen informatie ontvangen in relatie staan tot de toegeken­de graad van participatie aan groepen.
  • Uit het onderzoek blijkt duidelijk dat beide gespreks­partners verschillende agenda’s hanteren. Hoewel dat uit het materiaal niet is op te maken, kan men vermoeden dat het hanteren van verschillende agenda’s het gesprek ernstig kan belemmeren.

1.4.2 Bijzondere bijstand

Uit het onderzoek blijkt dat een aantal gemeenten (77%) het budget van de Bijzondere Bijstand voor andere doel­einden inzet. Uit de informatie kan men niet opmaken of die besteding ten goede komt aan het anti-armoede beleid. Het zou kunnen zijn dat, als gevolg van een passief beleid, niet allen die er aanspraak op kunnen maken, gebruik maken van deze voorzieningen of dat het anti-armoede beleid in onvoldoende mate ontwikkeld is.
Het verdient nadrukkelijk aanbeveling dat de plaatselijke groepen in hun overleg met de gemeente hiervan een agendapunt maken.

1.4.3 Signalen naar het land

Tot nu toe zijn signalen van de lokale groepen via Sjakuus en de sociale conferentie gekanaliseerd. In essentie is dit vanaf het jaar 20018 niet meer mogelijk. 80% van de groepen zijn goed op de hoogte van de landelijke activiteiten van Sjakuus en de sociale conferenties en 60% doet actief hieraan mee. Hieruit kan men afleiden dat de lokale groepen groot belang hechten aan een communicatiekanaal voor hun signalen naar het landelijk niveau. Het verdient aanbeveling na te gaan op welke wijze in de toekomst de communicatie georganiseerd kan worden.

terug

2 Evaluatie Gelderse Aanpak

Dit hoofdstuk beschrijft in het kort de achtergronden van het project Aanpak en de ontwikkelingen in Gelderland die aan de Gelderse Aanpak vorm hebben gegeven. Tevens wordt de opzet van het onderzoek gepresen­teerd.

2.1 Achtergronden

Als gevolg van de Sociale Top in Kopenhagen raakte in 1995 politiek Nederland er van doordrongen dat ook in deze rijke rivierdelta armoede voorkwam. Deze erkenning leidde in hetzelfde jaar tot de nota ‘De andere kant van Nederland. Over preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting’. In het kader van deze nota werden middelen beschikbaar gesteld om onder andere een reeks van vijf jaarlijkse sociale conferenties te organiseren. De conferenties zouden onder meer inzicht moeten verschaffen over de uitsluitingsmechanismen die ten grondslag liggen aan het ontstaan van armoede. Daarnaast zou gekeken moeten worden in hoeverre de mensen om wie het gaat, betrokken konden worden bij het ontwikkelen en vormgeven van het anti-armoedebeleid. In dat kader is op initiatief van Sjakuus - samenwerkingsverband voor sociale en economische rechtvaardig­heid - het landelijke project Aanpak opgezet. Door middel van dit project is een meningsvormingsproces onder uit­keringsgerechtigden op gang gebracht, dat in 1998 terug­gebracht is tot zes thema’s op basis waarvan concreet beleid gemaakt kon worden. Gepaard aan dit inhoudelijke proces ontstond een zeer flexibele werkwijze die de samenwerking van lokale groepen - rondom het anti­armoedewerk - zowel op lokaal als op provinciaal niveau stimuleerde en ondersteunde.

2.2 Gelderse Aanpak

De Gelderse Aanpak is de provinciale vertaling van het landelijke project Aanpak in Gelderland. De eerste jaren werd het project door Sjakuus zelf en met medewerking van sommige provinciale organisaties en mensen uitgevoerd. Sinds 1999 heeft het project een duidelijk Gelders karakter gekregen met een eigen werkwijze. In dat kader ontstond de naam Gelderse Aanpak. Het project Aanpak - en daarmee de Gelderse Aanpak ­heeft in vijf jaar tijd diverse ontwikkelingen doorge­maakt. Sinds 1998 wordt veel aandacht geschonken aan het lokale werk. In 1999 zijn er 20 lokale groepen, al dan niet met professionele ondersteuning, in staat geweest verbeterpunten ten aanzien van het lokale anti-armoede-beleid te formuleren. Dat werk gaf voldoende basis om een ‘Gelders programma ter bestrijding van armoede’ op te stellen, genaamd 'Gelderse beleidsvoorstellen'. Op 16 mei 2000 werd in een provinciale bijeenkomst vastge­steld dat deze beleidsvoorstellen niet allemaal gereali­seerd zijn, maar actueel genoeg om richtinggevend te zijn voor het werk in de komende periode. Die bijeenkomst was tevens het startsein om de huidige situatie van het werk en haar effecten in kaart te brengen. Deze ‘werkkaart’ zou dienen om het lokale anti-armoedewerk te versterken ten dienste van het einddoel, namelijk de economische en sociale positie van de uitkeringsgerechtigden te verbeteren.

2.3 Ontwikkelingen binnen Aanpak

Er zijn twee belangrijke ontwikkelingen te zien binnen Aanpak: één van inhoudelijke en één van organisatori­sche aard.
De hoofdlijnen van Aanpak zijn in de vijf jaren van haar bestaan hetzelfde gebleven. De onderliggende ideeën over armoede en achterstand lijken nog steeds actueel te zijn. In deze periode hebben deze hoofdlijnen hun weer-slag gevonden in zes duidelijke thema’s: Inkomen, Medezeggenschap, Zorg en Arbeid, Armoede en Kinderen, Sociale Activering en Werkgelegenheid. In 1999 werden de zes genoemde thema’s, met actieve par­ticipatie van lokale groepen, vertaald naar beleidsvoorstellen, verbeterpunten, in hun eigen gemeente.

In de vijf jaar van Aanpak is duidelijk een ontwikkeling naar het provinciaal en soms ook lokaal niveau zichtbaar. Daar waar Aanpak 96 nog uitsluitend gericht was op de sociale conferentie werden in de navolgende jaren de processen van meningsvorming en ondersteuning op lokaal niveau steeds belangrijker. Tevens gaven provinciale en lokale standpunten steeds meer vorm aan het totaal van Aanpak. In dit kader moet ook de Gelderse Aanpak worden geplaatst.
Deze ontwikkelingen rechtvaardigen de veronderstelling dat cliëntenparticipatie aan de kwaliteit van het te ontwikkelen beleid en de effectiviteit van haar uitvoering bijdraagt.

2.4 Lokale ontwikkelingen

In de loop der jaren hebben ook de organisaties van uitkeringsgerechtigden een ontwikkeling doorgemaakt. Één van de aspecten is dat deze organisaties hun ideeën hebben bijgesteld en aangepast aan de nieuwe economische, maatschappelijke en politieke omstandigheden. De slachtofferbenadering maakt langzaam maar zeker plaats voor een burgerschapsbenadering. Niet het lot of de pech in armoede geraakt te zijn is hun drijfveer, maar het verzet tegen het beeld van een tweederangs burger. Een ander aspect is dat de individuele benadering plaats maakt voor een collectieve benadering. Er wordt waarde gehecht aan het bundelen van krachten door het aangaan van allerlei vormen van samenwerking, maar ook door een samenhangend verhaal neer te zetten.

Parallel daaraan hebben ook de lokale overheden ontwik­kelingen doorgemaakt. Cliëntenparticipatie begint lang­zamerhand vorm te krijgen. Verder hebben, onder invloed van de gedeeltelijke decentralisatie van beleid, gemeentelijke overheden meer ruimte gekregen voor het treffen van concrete maatregelen om de pijn van de uit­keringsgerechtigden te verzachten dan wel hun maatschappelijke participatie te bevorderen. Hoewel al deze ontwikkelingen nog niet voltooid zijn, hebben zij invloed uitgeoefend op het proces dat de anti­armoedebeweging heeft doorgemaakt.

2.5 Opzet van het onderzoek

Het betreft een beschrijvend onderzoek met als doel het lokale anti-armoedewerk en haar effecten in kaart te brengen. De beschrijvingen worden gedaan in het licht van de Gelderse beleidsvoorstellen.

De informatie voor dit onderzoek is verzameld met behulp van een schriftelijke enquête die vragen bevatte omtrent de werkwijze van groepen en gemeenten, de zes thema’s van Aanpak en de bekendheid van groepen en gemeenten met Aanpak.

Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van een beeld van het anti-armoede werk op lokaal niveau en de behaalde resultaten aan de hand van de verbeterpunten van 1999. De resultaten zullen onder meer aan de groepen en gemeenten ter beschikking gesteld worden. De centrale onderzoeksvragen zijn:

  • Hoe gaan lokale groepen van uitkeringsgerechtigden en de gemeente met elkaar om in het opzetten, uitvoe­ren en evalueren van het anti-armoedebeleid?
  • Welke invloed op het gemeentelijke beleidsproces kun­nen lokale groepen uitoefenen?
  • In welke mate hebben de verbeterpunten van 1999 tot gemeentelijk beleid geleid?
  • Zijn er inhoudelijke dan wel organisatorische signalen te bespeuren die – met het oog op versterking van het werk - een aanpassing in het werk noodzakelijk maken?

2.5.1 Onderzochten en respons

Een enquête is voorgelegd aan 137 lokale groepen die zijn opgenomen in het bestand van de Gelderse Aanpak. Achtendertig lokale groepen, verspreid door de gehele provincie, stuurden het onderzoeksformulier terug, waarvan 33 goed ingevuld. De respons bedroeg ruim 25%. Een andere enquête, met gelijksoortige vragen, is aan al de 78 Gelderse gemeenten gestuurd. Tweeëntwintig gemeenten, verspreid door de gehele provincie, stuurden het onderzoeksformulier ook daadwerkelijk ingevuld terug. De respons bedroeg 28%. Twee gemeenten en vier groepen reageerden nadat de gegevens al verwerkt waren en zijn derhalve buiten beschouwing gelaten.

2.5.2 Geldigheid

De respons ligt zowel voor de lokale groepen9 als voor de gemeenten boven de 25% en was gelijkmatig over de provincie verdeeld. Gezien dit percentage en de provinciale spreiding mogen we aan de getrokken conclusies waarde toekennen als een indicatie van of zoekrichting naar het bestaan van (ongewenste) situaties of knelpunten die zich voordoen in het anti-armoede werk in de provincie Gelderland. Deze indicaties kunnen waardevol zijn in het zoeken naar oplossingen voor praktische problemen op lokaal niveau.

De veronderstelling is dat zowel gemeenten als groepen bekend zijn met de thematiek van Aanpak, waar de verbeterpunten immers een directe afspiegeling van zijn. Die veronderstelling is gebaseerd op het feit dat de bevraagde groepen op de hoogte zijn gebracht van de verbeterpunten in het kader van Aanpak 99. Verder geven 73% van de bevraagde gemeenten aan bekend te zijn met de verbeterpunten. Hen is de extra Nieuwsbrief10 van juli 1999, waarin de verbeterpunten staan uitgelegd, reeds in eerder stadium toegezonden. In die zin is het hanteren hier van het thematische raamwerk van Aanpak te rechtvaardigen.

Diverse maatschappelijke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en invloed gehad op het project zelf, het debat over armoede en de anti-armoedebeweging.11 Dit maakt de interpretatie van de bevindingen complex. Om die reden is gekozen voor het vaststellen van een momentopname en geen vergelijking tussen doelstellingen van toen en resultaten van nu, vijf jaar na dato. Het is aan de lokale groepen en gemeenten te beoorde­len of de indicaties die hier gegeven worden, veelal geformuleerd in de vorm van aanbevelingen, wel of niet bruikbaar zijn in hun concrete situatie.

terug

3 Het speelveld

Dit hoofdstuk biedt inzicht in de spelers op het speelveld.
De veronderstelling in dit onderzoek is dat de lokale groepen van uitkeringsgerechtigden en lokaal bestuur – de spelers - in toenemende mate op elkaar betrokken raken in het kader van het gemeentelijke anti-armoede-beleid. In dit hoofdstuk wordt een profiel van de lokale groepen van uitkeringsgerechtigden en van de gemeen­ten geschetst aan de hand van de verzamelde informatie. Op basis daarvan wordt gezocht naar de gemeenschappe­lijkheid en naar de onderscheiding.

3.1 Lokale groepen uitkeringsgerechtigden

In deze paragraaf wordt getracht een profiel te schetsen ­gebaseerd op vijf grootheden – van de lokale groepen van uitkeringsgerechtigden, dat een vergelijking moge­lijk maakt met de andere belangrijke speler, de gemeente. Zoals eerder vermeld zijn er in Gelderland 137 lokale groepen bekend die zich bezighouden met uitkeringsgerechtigden dan wel armoedebestrijding. Hun motieven, werkwijzen en prioriteiten verschillen. Er zijn echter in de loop van de laatste jaren en in het kader van de Gelderse Aanpak vormen van samenwerking te bekennen die het mogelijk maken gemeenschappelijke kenmerken vast te stellen. Vandaar dat er aan deze groepen drie cri­teria worden aangelegd om een profiel op te kunnen stellen, namelijk:

  • Het aantal mensen dat betrokken is bij de lokale groep
  • Het al dan niet hebben van professionele ondersteu­ning
  • Het al of niet deel uitmaken van een groter geheel, zoals een landelijke organisatie.

3.1.1 Profiel van lokale groepen

Het aantal mensen dat betrokken is bij de lokale groepen is – aan de hand van de verzamelde informatie – moei­lijk vast te stellen. Wel is het mogelijk een soort rangschikking te maken. Men koos voor een onderscheiding in vijf mogelijke soorten. Deze lopen uiteen van situaties waarin één persoon actief is tot groepen waarin meer dan tien mensen actief zijn. Over de mate van activiteit van de individuele leden kan geen uitspraak worden gedaan.

De samenstelling van de lokale groepen in Gelderland is zeer divers. Opvallend feit is dat het merendeel van de lokale groepen (49%) zichzelf rekent tot de middelgrote groepen. Zo’n 27% van de lokale groepen bestaat uit één of twee personen.

Van de bevraagde groepen geeft 36% aan te worden ondersteund door professionele krachten en 36% geeft aan geen ondersteuning te hebben. 8% heeft soms professionele ondersteuning.

45% van de groepen maakt deel uit van een groter verband 12 en 45% geeft aan juist niet te behoren tot een gro­ter verband. 36% van de groepen geeft aan verbonden te zijn aan een cliëntenraad van de Sociale Dienst en 18% aan een CWI. 13Hierin treedt enige dubbeltelling op omdat niet duidelijk is of het gaat om een directe bin­ding met het CWI, of dat het gaat om een binding via de Sociale Dienst die ook onderdeel uitmaakt van het CWI.

Geconcludeerd kan worden dat de lokale groepen in Gelderland middelgrote groepen zijn en in bijna 50% tot een groter verband behoren. 54% is betrokken bij het lokale beleid (35% bij Sociale Diensten en 18% bij CWI’s). 36% krijgt regelmatig en 8% incidentele professionele ondersteuning. 36% krijgt geen professionele ondersteu­ning.

Aanbeveling 1.
Nagaan welke groepskenmerken bijdragen aan een positieve invloed op het gemeentelijke beleid.

3.1.2 Overleg en informatie

In het algemeen is (het toegang hebben tot) informatie van essentieel belang in het innemen van standpunten. Ook om een zinvolle dialoog met de politiek, het gemeentelijk bestuur of de uitvoerende instelling aan te gaan. In de context van dit onderzoek – het anti-armoe-dewerk - is het kunnen beschikken over (beleids)stukken van de gemeente voorwaarde om de communicatie tussen uitkeringsgerechtigden en gemeente op een zinvolle manier te kunnen organiseren. Slechts 3% van de lokale groepen geeft aan niet te kunnen beschikken over gemeentelijke informatie. De overgrote meerderheid (64%) geeft aan vaak tot altijd te kunnen beschikken over informatie. De overigen geven aan soms de beschikking te kunnen hebben over (beleids)stukken. De verzamelde informatie laat een oordeel over de kwaliteit 14 van de informatie waarover de lokale groepen kunnen beschikken, niet toe.

Naast informatie is het van belang te kunnen komen tot meningsvorming op basis van overleg met politiek en gemeentebestuur.15 Hierbij treedt een opvallend verschil op tussen politiek en gemeentebestuur. De gemeentelijke apparaten worden door de lokale groepen als toegankelijk ervaren. 49% van de groepen geeft aan dat er vaak tot altijd overleg met de ambtenaren en / of bestuur mogelijk is. Slechts 12% geeft aan dat het nooit of bijna niet tot overleg met de gemeente komt. Ten opzichte van de politiek is het beeld geheel anders. Slechts in 10% van de gevallen wordt aangegeven dat er sprake is van regelmatig overleg met de politiek.

Aanbeveling 2 Nagaan in welke mate de ontvangen informatie en het moment waarop de informatie ontvangen wordt ten aanzien van een te behandelen onderwerp een bevorderende dan wel belemmerende factor is in de kwaliteit van de participatie van de groepen.

Aanbeveling 3 Nagaan hoe lokale groepen hun eigen positie binnen het politieke krachtenveld zien en welke positie zij willen innemen, alsmede welke verwachtingen er bij hen leven ten aanzien van de politiek.

3.1.3 Deelname van lokale groepen aan Aanpak

Voor dit onderzoek is het van belang te weten of organisaties van uitkeringsgerechtigden bekend zijn met Aanpak en de sociale conferenties, omdat die het raamwerk vormen van de Gelderse Aanpak en het verrichte werk dat hier in kaart wordt gebracht. Hiertoe is gevraagd naar bekendheid en deelname aan Aanpak en de bekendheid en deelname aan de activiteiten van Sjakuus en de sociale conferenties.16

Desgevraagd geeft 82% van de lokale groepen aan bekend te zijn met Aanpak. Van de groepen geeft 60% aan ook daadwerkelijk deel te nemen aan Aanpak.17 Wat onder deelname moet worden verstaan wordt hier niet vastgelegd, maar overgelaten aan de lokale groepen om daar zelf positie in te nemen. Ook de sociale conferentie is een bekend fenomeen. Van de lokale groepen geeft 88% aan bekend te zijn met de sociale conferentie. Verder is het bereik van Sjakuus niet gering. Maar liefst 61% geeft aan ‘soms tot vaak’ de bijeenkomsten van Sjakuus te bezoeken.

Aanbeveling 4
Nagaan op welke wijze lokale groepen hun standpunten kunnen inbrengen bij landelijke instanties. Dit punt wordt nog belangrijker nu in 2000 de sociale conferenties beëindigd worden.

3.2 Gemeenten

Evenals bij de groepen wordt ook getracht een profiel te schetsen van de gemeenten rondom armoede en armoedebestrijding. Hiervoor worden twee hoofdlijnen in acht genomen, namelijk:

  • Hoe zien gemeenten groepen van uitkeringsgerechtigden en hoe gaan zij daarmee om
  • Enkele voorname lijnen rond armoede en armoedebestrijding

3.2.1 Omgaan met groepen van uitkeringsgerechtigden

Van de gemeenten geeft 77% aan bekend te zijn met een groep van uitkeringsgerechtigden; 36% van de gemeenten heeft zelf de groep ingesteld. 59% van de bevraagde gemeenten overlegt regelmatig met de groep. Zo’n 18% doet dit incidenteel. Slechts 5% geeft aan niet tot overleg met de lokale groepen te kunnen komen.

Er is in dat overleg geen groot verschil tussen overleg op bestuurlijk of ambtelijk19 niveau. Ambtelijk overleg voert 41% van de gemeenten op structurele basis en 36% op incidentele basis. Bij het bestuurlijk overleg is dit beeld precies tegengesteld. In absolute getallen is het verschil echter verwaarloosbaar. De gemeenten geven dus aan dat zij aanspreekbaar willen zijn over de volle breedte. De inspraak die zij verlenen valt uiteen in twee soorten: beleidsvorming en consultatie achteraf. Beide vormen behoeven elkaar niet uit te sluiten en kunnen aanvullend op elkaar zijn. Een meerderheid van de gemeenten (63%) geeft aan de groepen van uitkeringsgerechtigden op structurele basis te betrekken bij de beleidsvorming; 18% doet dit incidenteel. Ook consultatie achteraf vindt veelvuldig plaats; 55% van de gemeenten geeft aan dit structureel te doen. Verder geeft 23% aan dit incidenteel te doen. Van de gemeenten geeft 55% aan beide inspraakvormen op structurele basis te hanteren. Tenslotte zijn de gemeenten in deze reeks bevraagd in welke mate zij beleidsstukken ter beschikking stellen aan de groep. Zij geven aan dat in de helft van de gevallen (50%) structureel te doen. Incidenteel stelt 27% beleidsstukken ter beschikking.

Aanbeveling 5
Gezien de onduidelijkheid betreffende de kwalitatieve aspecten van de inspraak zou onderzoek meer inzicht hierover kunnen verschaffen.

3.2.2 Gemeentelijk anti-armoedebeleid

In deze paragraaf wordt nagegaan of de gemeenten vinden dat het anti-armoedebeleid een zaak van het rijk of de gemeente, of beiden, is. Daarnaast zijn gemeenten bevraagd of de middelen voor de bijzondere bijstand uitputtend benut waren. Tenslotte zijn de gemeenten bevraagd of de bijzondere bijstand ook ingezet wordt bij andere beleidsvelden. 59% van de gemeenten is van mening dat armoedebestrijding bovenal een zaak voor de rijksoverheid is. Slechts 14% van de gemeenten vindt dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid. Voor wat betreft het budget van de bijzondere bijstand geeft 36% van de gemeenten aan dit niet op te maken. Verder geeft 23% aan het budget nagenoeg uit te geven en 32% put de middelen voor de bijzondere bijstand geheel uit. 77% van de geconsulteerde gemeenten zet de middelen voor de bijzondere bijstand anders in dan voor armoedebestrijding.

Aanbeveling 6
Onderzoeken op welke manier en op welke gronden de middelen behorende tot de bijzondere bijstand uitgegeven worden en of er ruimte is om verbeteringen in het gemeentelijke anti-armoedebeleid te realiseren.

3.2.3 Gemeenten en Aanpak

Op de vraag of gemeenten bekend zijn met Aanpak en de sociale conferentie geeft zo’n 68% aan bekend te zijn met de sociale conferentie, 27% stelt enigszins daarmee bekend te zijn. Voor bekendheid met Aanpak liggen de verhoudingen iets anders. Bekend met Aanpak stelt 59% te zijn. Enigszins bekend met Aanpak is 27%.

terug

4 De thema’s van Aanpak

In dit hoofdstuk worden de thema’s van Aanpak nader bezien. Zoals reeds eerder opgemerkt lijkt het er vaak op dat de wereld van groepen van uitkeringsgerechtigden en gemeenten elkaar slechts zelden concreet raken. Een uitzondering hierop vormen de al eerder genoemde ver­beterpunten.

4.1 De thema’s

De aangeschreven organisaties is gevraagd aan te geven in welke mate zij prioriteit leggen bij de thema’s en of deze thema’s als leidraad worden gezien bij hun activiteiten. De gemeenten werd een gelijksoortige vraagstel­ling voorgelegd. De thematiek van Aanpak is onderverdeeld in zes thema’s, namelijk:

  • Inkomen
  • Medezeggenschap
  • Zorg en Arbeid
  • Armoede en Kinderen
  • Sociale Activering
  • Werkgelegenheid

4.2 Prioriteiten van groepen van uitkerings­gerechtigden

Uitgaande van de mate van belangrijkheid die de groe­pen toekennen aan de thema’s ontstaat de onderstaande prioriteitenlijst.

Tabel 1: Prioriteiten van lokale groepen
Prioriteit Thema’s
1 (hoog) Inkomen
2 Armoede en Kinderen
3 Medezeggenschap
4 Zorg en Arbeid
5 Sociale Activering
6 (laag) Werk

e thema’s 1 en 2 zijn de allerbelangrijkste. De thema’s 3, 4, 5 en 6 scoren minder en worden nagenoeg even belangrijk gevonden. Alhoewel de verschillen zeer gering zijn, wordt het thema medezeggenschap benoemd als het belangrijkste van die vier.

Behalve een rangschikking ten opzichte van elkaar kan ook een beeld verkregen worden van belangrijkheid van de thema’s op zich, dus los van elkaar. Om hier zicht op te krijgen wordt de mate van belangrijkheid van de the-ma’s in drie klassen verdeeld: belangrijk 20, tamelijk belangrijk en onbelangrijk. In tabel 2 staan de klassen met de bijbehorende percentages vermeld.

Tabel 2: Belangrijkheid per thema volgens lokale groe­pen in percentages
Thema's Belangrijk Tamelijk Onbelangrijk
Inkomen 52 24 6
Armoede en Kinderen 36 11 24
Medezeggenschap 27 24 30
Sociale Activering 18 33 30
Werkgelegenheid 12 30 36
Zorg en Arbeid 9 33 36

Ook hier blijkt dat het thema Inkomen veruit als belang­rijkste thema is benoemd en dat er bij de groepen hier­over overeenstemming bestaat. Ten aanzien van de ande­re thema’s is het beeld meer genuanceerd.
Bij de beschouwing van de gegevens tenslotte, blijkt dat organisaties van uitkeringsgerechtigden alle thema’s van Aanpak als leidende thema’s 21 beschouwen. Er zijn echter geen thema’s te noemen die als exclusief leidende the-ma’s worden ervaren. De nadruk ligt op het thema Inkomen. De thema’s Medezeggenschap, Zorg en Arbeid en Armoede en Kinderen worden in evenredige mate als leidend beschouwd. Het thema Sociale Activering in mindere mate. Het thema Werkgelegenheid wordt het minst als leidend ervaren. In tabel 3 kan worden afgele­zen hoe de accenten worden gelegd.

Tabel 3: Mate van richtinggevendheid in het werk van lokale groepen in percentages
Thema's Altijd leidend Soms leidend Niet leidend
Inkomen 33 45 12
Medezeggenschap 27 42 15
Zorg en Arbeid 27 39 21
Armoede en Kinderen 27 42 18
Sociale Activering 24 49 15
Werkgelegenheid 18 55 15

4.3 Prioriteiten van gemeenten

De hierboven gebruikte benadering kan ook worden toe­gepast op de gegevens zoals de gemeenten die oplever­den. Naar aanleiding van de vraag om de thema’s in volgorde van belangrijkheid te zetten ontstaat het vol­gende beeld:

Tabel 4: Prioriteiten van gemeenten
Prioriteit Thema’s
1 (hoog) Werkgelegenheid
2 Inkomen
3 Zorg en Arbeid
4 Armoede en Kinderen
5 Sociale Activering
6 (laag) Medezeggenschap

Tabel 4 geeft een rangschikking van de thema's ten opzichte van elkaar. Bij gemeenten er is sprake van een meer genuanceerde rangschikking. Gemeenten hechten veruit het meeste belang aan de toeleiding naar Werk. Een goede tweede is het thema Inkomen. Het thema Medezeggenschap vindt men veruit het minst belangrijk. Tabel 5 laat zien hoe belangrijk de gemeenten de the-ma’s op zich achten.

Tabel 5: Mate van belangrijkheid per thema volgens de gemeenten in percentages
Thema's Belangrijk Tamelijk Onbelangrijk
Werkgelegenheid 68 9 14
Inkomen 45 32 14
Zorg en Arbeid 36 40 5
Medezeggenschap 32 5 55
Sociale Activering 32 23 36
Armoede en Kinderen 27 36 27

Tabel 5 laat ook zien dat gemeenten vooral op werkgele­genheid inzetten. Een overgrote meerderheid benoemt het thema Werkgelegenheid als belangrijk tot tamelijk belangrijk. Het thema dat het minste prioriteit krijgt is Medezeggenschap. Meer dan de helft van de gemeenten benoemt dit als tamelijk belangrijk tot onbelangrijk.

Tabel 6 geeft aan dat vooral de thema’s werkgelegenheid en sociale activering richtinggevend zijn in het doen en laten van gemeenten. Medezeggenschap is in 64% van de gevallen soms leidend voor de geconsulteerde gemeen­ten. Armoede en Kinderen is slechts voor 32% van de gemeenten soms leidend.

Tabel 6: Mate van richtinggevendheid van thema’s voor gemeenten in percentages
Thema's Altijd leidend Soms leidend Niet leidend
Werkgelegenheid 73 19 5
Sociale Activering 68 27 0
Zorg en Arbeid 59 37 0
Inkomen 54 41 5
Armoede en Kinderen 32 55 9
Medezeggenschap 23 64 5

4.4 Tenslotte

Het geschetste beeld laat een belangrijke conclusie toe, namelijk dat gemeenten en uitkeringsgerechtigden ver­schillende agenda’s hanteren. Men kan terecht vermoe­den dat het hebben van verschillende prioriteiten de dia­loog tussen beide partijen bemoeilijkt.

Tabel 7: Contrast in prioriteiten tussen lokale groepen en gemeenten
Prioriteit Lokale groepen Gemeenten
1 (hoog) Inkomen Werkgelegenheid
2 Armoede en Kinderen Inkomen
3 Medezeggenschap Zorg en Arbeid
4 Zorg en Arbeid Armoede en Kinderen
5 Sociale Activering Sociale Activering
6 (laag) Werkgelegenheid Medezeggenschap

Uit de vergelijking tussen de rangschikking van de lokale groepen en gemeenten wordt een drietal opmerkelijke verschillen in prioriteit helder, namelijk:

  • Werkgelegenheid is de hoogste prioriteit voor gemeen­ten en de laagste voor de lokale groepen van uitke­ringsgerechtigden
  • Medezeggenschap is de laatste prioriteit van gemeen­ten en de derde prioriteit van groepen van uitkerings­gerechtigden
  • Armoede en Kinderen is de vierde prioriteit voor gemeenten en de tweede van groepen van uitkerings­gerechtigden.

De andere thema’s krijgen nagenoeg dezelfde prioriteit zowel door de gemeenten als door de groepen.

Aanbeveling 7 Onderzoeken wat voor inhoud uitkeringsgerech­tigden geven aan het begrip werk in het kader van de huidige maatschappelijke en economi­sche omstandigheden en hun eigen situatie van (langdurige) werkloosheid.

Aanbeveling 8 Nagaan hoe het komt dat de agenda’s van uitke­ringsgerechtigden en gemeenten er zo anders uitzien en op welke manier – uitgaande van dit gegeven - de dialoog op een constructieve en zin­volle manier georganiseerd kan worden.

terug

5 Gelderse beleidsvoorstellen

Dit hoofdstuk gaat in op de Gelderse beleidsvoorstellen of verbeterpunten. Aan de hand van de verzamelde infor­matie wordt een beeld geschetst van de ingediende ver­beterpunten op 27 september 1999 en wat er nadien mee gebeurd is.

5.1 Ingediende verbeterpunten

Van de bevraagde organisaties van uitkeringsgerechtig­den geeft 49% aan op 27 september 1999 verbeterpunten aan de gemeenten te hebben aangeboden. In de onder­staande tabel staat aangegeven het percentage van de groepen die één of meer verbeterpunt(en) voor een speci­fiek thema aan het gemeentelijk bestuur hebben aange­boden.

Tabel 8: Ingediende verbeterpunten in percentages
Thema's ingediende verbeterpunten
Inkomen 81
Medezeggenschap 56
Armoede en Kinderen 52
Zorg en Arbeid 50
Werkgelegenheid 50
Sociale Activering 44

Men kan vaststellen dat er met betrekking tot alle thema’s verbeterpunten zijn ingediend. Het accent ligt duidelijk op inkomensaspecten. Voor het overige is de verdeling over de punten tamelijk gelijk.

5.1.1 Honorering van ingediende verbeterpunten

Op de vraag of de ingediende verbeterpunten voldoende werden gehonoreerd of niet komt het onderstaande beeld naar voren:

Tabel 9: Mate van honorering van ingediende verbeter­punten in percentages
Thema’s Niet Wel Anders
Armoede en Kinderen 44 25 31
Sociale Activering 44 13 44
Inkomen 38 38 25
Zorg en Arbeid 31 19 50
Werkgelegenheid 31 31 38
Medezeggenschap 25 25 50

Uit tabel 9 blijkt dat de ingebrachte verbeterpunten niet altijd gehonoreerd werden. Bovendien wordt niet duide­lijk of de toegekende verbeterpunten volledig werden gehonoreerd. De percentages in de kolom Anders geven situaties weer waarin verbeterpunten nog niet afgehan­deld zijn of waarbij de discussie nog gaande is. Uit de aangegeven toelichtingen kan echter niet afgeleid wor­den wat de voortgang zal zijn.

5.1.2 Tevredenheid van lokale groepen

Op de vraag of de lokale groepen tevreden zijn met de tot nu toe behaalde resultaten komt het onderstaande plaatje te voorschijn. Men kan vaststellen dat er met betrekking tot alle the-ma’s verbeterpunten zijn ingediend. Het accent ligt dui­delijk op inkomensaspecten. Voor het overige is de verde-ling over de punten tamelijk gelijk.

5.1.1 Honorering van ingediende verbeterpunten

Op de vraag of de ingediende verbeterpunten voldoende werden gehonoreerd of niet komt het onderstaande beeld naar voren: Uit de gevonden gegevens kan worden afgeleid dat, daar waar verbeterpunten als afgesloten worden beschouwd, men niet tot matig tevreden is. Medezeggenschap is daarentegen een uitzondering. De mate van tevreden­heid over de honorering van verbeterpunten over mede­zeggenschap zegt niks over de kwaliteit ervan. Opgemerkt moet worden dat een groot aantal verbeter­punten nog in behandeling is.

Tabel 10: Mate van tevredenheid van de lokale groepen
Thema's Niet Matig Tevreden Anders
Inkomen 31 44 19 6
Zorg en Arbeid 25 19 - 38
Werkgelegenheid 25 32 6 38
Medezeggenschap 21 21 3 55
Armoede en Kinderen 19 31 19 31
Sociale Activering 19 32 6 44

Uit de gevonden gegevens kan worden afgeleid dat, daar waar verbeterpunten als afgesloten worden beschouwd, men niet tot matig tevreden is. Medezeggenschap is daarentegen een uitzondering. De mate van tevredenheid over de honorering van verbeterpunten over medezeggenschap zegt niks over de kwaliteit ervan. Opgemerkt moet worden dat een groot aantal verbeterpunten nog in behandeling is.

Aanbeveling 9
Nagaan waarmee de mate waarin verbeterpunten worden gehonoreerd samenhangt.

5.2 De ontvangen verbeterpunten

36% van de bevraagde gemeenten stelt op 27 September 1999 verbeterpunten te hebben ontvangen. In tabel 11 wordt per thema aangegeven welk percentage van die gemeenten over een thema verbeterpunten hebben ontvangen.

Tabel 11: Door gemeenten ontvangen verbeterpunten in percentages
Thema's Ontvangen verbeterpunten
Inkomen 27
Armoede en Kinderen 27
Zorg en Arbeid 18
Medezeggenschap 18
Sociale Activering 18
Werkgelegenheid 14

In de door de gemeenten ontvangen verbeterpunten komt de al eerder behandelde prioriteitsstelling van de lokale groepen weer terug: de meeste verbeterpunten hebben betrekking op de thema’s Inkomen en Armoede en Kinderen. De overige thema’s wegen nagenoeg even zwaar.

5.2.1 Honorering van de verbeterpunten De vraag is nu wat er terecht is gekomen van de ontvan­gen verbeterpunten, volgens de gemeenten. In tabel 12 wordt in kaart gebracht wat wel en wat niet gehonoreerd is.

Tabel 12: Honorering van ontvangen verbeterpunten in percentages
Thema’s Wel Niet Gedeelt. Nog in behand
Werkgelegenheid 22 - 33 45
Inkomen 22 11 33 34
Sociale Activering 22 - 44 34
Zorg en Arbeid 11 11 22 66
Armoede en Kinderen 11 - 44 45
Medezeggenschap 11 11 22 66

Uit tabel 12 blijkt dat in de meeste gevallen de verbeter­punten, na een jaar, nog altijd in behandeling zijn. Ook vinden de gemeenten dat er in een groot aantal gevallen verbeterpunten gehonoreerd zijn. Het is in het kader van dit onderzoek echter niet mogelijk om vast te stellen in welke mate precies de ontvangen verbeterpunten geho­noreerd zijn. Er zijn maar weinig gemeenten die aange­ven verbeterpunten niet gehonoreerd te hebben.

5.3 Tenslotte

Een vergelijking tussen de ingediende verbeterpunten door lokale groepen en de ontvangen verbeterpunten door gemeenten en de honorering van die verbeterpun­ten is onmogelijk omdat men niet weet of het over dezelfde verbeterpunten gaat. Beide plaatjes geven wel een idee hoe de lokale groepen enerzijds en de gemeen­ten anderzijds, de mate van honorering van de verbeter­punten zien. Het blijkt dat beide partijen anders ernaar kijken.

De gemeenten vinden dat ze voldoende gedaan hebben aan het realiseren van de door hen ontvangen verbeter­punten. Het lijkt dat op het punt van de mate van tevre­denheid over de behaalde resultaten een aanzienlijk ver­schil in beoordeling bestaat tussen de lokale groepen en gemeenten.

Aanbeveling 10
Nagaan op basis van welke criteria lokale groepen en gemeenten hun mate van tevredenheid vaststellen ten aanzien van de behaalde resultaten van beleidsvoorstellen.

terug

6. Van verbeterpunten naar gemeentelijk beleid

In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het proces rond de vertaalslag van verbeterpunten naar gemeente­lijk beleid. Bedoeld wordt dus niet of de verbeterpunten iets opgeleverd hebben, maar op welke manier groepen en gemeenten met de verbeterpunten aan de slag geweest zijn met als doel de verbeterpunten in gemeentelijk beleid te vertalen. We bekijken hierbij een aantal punten ten aanzien van lokale groepen van uitkeringsgerechtigden en gemeenten.

6.1 Het proces van de groepen

Om inzicht te krijgen in het proces dat de lokale groepen hebben doorlopen om verbeterpunten in gemeentelijk beleid vertaald te krijgen, wordt gekeken naar vier aspec­ten, namelijk:

  • gebruik van inspraak
  • nemen van initiatief
  • wijze van presentatie van beleidswensen
  • produceren van nieuwe verbeterpunten.

6.1.1 Inspraak

Uit de verzamelde gegevens blijkt dat de lokale groepen soms inspraak hebben gehad bij de gemeentelijke beleidsvorming. Er is daarbij nagenoeg geen onderscheid tussen de thema’s onderling. Opvallend feit is dat men bij het thema Inkomen vindt te weinig inspraak te heb­ben gehad.

6.1.2 Initiatief

Tabel 13 geeft een beeld van het initiatief dat de lokale groepen namen om met de gemeente over diverse the-ma’s in gesprek te gaan.

Tabel 13: Initiatief van lokale groepen in percentages
Thema’s Geen Wel Niet ingevuld
Armoede en Kinderen 31 50 19
Zorg en Arbeid 25 38 38
Sociale Activering 19 50 38
Inkomen 13 75 13
Medezeggenschap 13 44 44
Werkgelegenheid 13 50 31

De gegevens laten zien dat de lokale groepen aan inko­men veel meer aandacht besteden dan aan al de andere thema’s. Armoede en Kinderen, Sociale Activering en Werkgelegenheid zitten op hetzelfde niveau. De resteren­de thema’s krijgen iets minder aandacht van de groepen.

6.1.3 Wijze van presentatie

De lokale groepen zijn redelijk tevreden over de manier waarop ze de thema’s gepresenteerd hebben. Over het geheel bezien beoordeelt men zichzelf met een redelijk tot voldoende. Per thema lopen de scores iets uiteen; de verschillen zijn gering. Het is echter niet helder op welke criteria ze hun beoordeling baseren.

6.1.4 Nieuwe punten

75% van de groepen van uitkeringsgerechtigden is van mening dat er geen nieuwe punten zijn ten aanzien van Inkomen, Medezeggenschap, Zorg en Arbeid en Armoede en Kinderen. De helft van de groepen denkt echter dat er voor Sociale Activering en Werkgelegenheid nieuwe pun-ten geformuleerd dienen te worden. In de provinciale bij­eenkomsten van 16 mei en 26 september 2000 werd nadrukkelijk gesteld dat het thema armoedeval verwerkt dient te worden in het Gelders programma ter bestrijding van armoede.

Aanbeveling 11
Nagaan wat de nieuwe punten ter aanvulling van het Gelders programma ter bestrijding van armoede zouden moeten zijn.

6.2 Het proces van de gemeenten

Om het verloop van het proces bij gemeenten in kaart te brengen werd gekeken naar drie aspecten, te weten:

  • ruimte voor inspraak bij de beleidsvorming
  • initiatief tot overleg door de gemeente
  • de visie op de presentatie door organisaties van uitkeringsgerechtigden.

Aanbeveling 12
Een vraag die niet gesteld is maar wel belangrijk is, betreft de speelruimte die gemeenten kunnen/ willen nemen om op wensen van uitkeringsge­rechtigden in te gaan: waarop zijn zij aanspreek­baar. Een nadere verdieping lijkt noodzakelijk.

6.2.1 Ruimte voor inspraak

Tweederde van de geconsulteerde gemeenten vindt dat ze vaak ruimte voor inspraak geven bij de beleidsvor­ming. Er is daarbij geen onderscheid tussen de thema’s onderling.

6.2.2 Initiatief tot overleg

Tabel 14 geeft het initiatief tot overleg van de gemeenten weer.

Tabel 14: Initiatief tot overleg in percentages
Thema’s Geen Wel Niet ingevuld
Werkgelegenheid 23 23 54
Sociale Activering 23 23 54
Zorg en Arbeid 23 23 54
Armoede en Kinderen 14 28 58
Inkomen 14 37 50
Medezeggenschap 14 32 54

Opvallend is het grote aantal gemeenten dat daar geen uitspraak over doet. Opvallend is ook dat, alhoewel gemeenten Medezeggenschap geen prioriteit geven, dit onderwerp wel in gesprek gebracht wordt. Verder staat het thema Inkomen hoog op de agenda. Gemeenten schenken minder aandacht aan het thema Werkgelegen­heid, dat wel een hoge prioriteit heeft bij gemeenten, in het overleg met lokale groepen.

Aanbeveling 13
Nagaan wie, volgens de gemeenten, het initiatief tot bespreking moet nemen en onder welke omstandigheden het initiatief bij de gemeenten ligt en op basis van welke agenda.

6.2.3 Presentatie van beleidswensen door de groepen

Ook hier neemt tweederde van de gemeenten een stand-punt in. Het algemene beeld is dat gemeenten redelijk tevreden zijn over de wijze waarop de groepen van uitke­ringsgerechtigden hun standpunten onder de aandacht brengen.

Tabel 15: Tevredenheid van gemeenten over presentatie van beleid door groepen in percentages.
Thema’s Vold. Matig Onvold. Anders
Armoede en Kinderen 56 11 - 33
Sociale Activering 44 11 11 66
Inkomen 22 44 - 33
Medezeggenschap 22 33 - 44
Werkgelegenheid 22 11 - 66
Zorg en Arbeid 33 22 - 44

Opvallend in tabel 15 is dat het thema Armoede en Kinderen kennelijk goed over tafel is gekomen. Ook opvallend is dat bij de thema’s Sociale Activering en Werkgelegenheid een groot gedeelte van de gemeenten geen uitspraak deed

Aanbeveling 14
Dit item dient beter onderzocht te worden. Het is van strategisch belang.

terug

Noten

  1. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 1995.
  2. De stichting Hemag, FNV en andere organisaties werkten hier aan mee.
  3. De uitdrukking ‘groep’, ‘lokale groep’ of ‘groep van uitkeringsgerechtigden’ wordt in dit onderzoek gebruikt om groepen dan wel organisaties van uitkeringsgerechtigden aan te duiden die de belangen van uitkeringsgerechtigden op gemeentelijke niveau behartigen. Deze groepen bestaan veelal – maar niet altijd - uit uitkeringsgerechtigden zelf.
  4. Stichting Hemag, FNV Regiowerk, KCMA, Ds. J.C. Sikkel­stichting, Spectrum en Werklozencentrum Unitas Nijmegen organiseerden de activiteiten van Aanpak in Gelderland.
  5. De Gelderse beleidsvoorstellen of verbeterpunten zijn gepubliceerd in de brochure Aanpak 99, Gelderse beleidsvoorstellen.
  6. De Gelderse Aanpak 2000 wordt door Stichting Hemag, FNV Regiowerk, KCMA, Ds. J.C.
    Sikkelstichting en Werklozencentrum Unitas Nijmegen georganiseerd.
  7. Deze bijeenkomsten maken deel uit dit onderzoek.
  8. De eerste sociale conferentie werd in 1996 gehouden en de laatste zal 6 november 2000 plaatshebben.
  9. Dit percentage is aanzienlijk hoger vanwege het feit dat niet alle organisaties die door ons werden aangeschreven zich ook daadwerkelijk met de problematiek van armoede en achterstand – zoals in het kader van Aanpak gebeurt - bezig houden. Een voorbeeld hiervan zijn sommige GWB afdelingen. GWB staat overigens voor Gelders WAO Beraad.
  10. In het kader van Aanpak publiceert Sjakuus drie maal per een Nieuwsbrief.
  11. De veronderstelling in dit onderzoek is dat de anti-armoede-beweging nu, in 2000, heel anders is dan in 1995.
  12. Bijvoorbeeld een vakbond of een landelijke organisatie van uitkeringsgerechtigden.
  13. Centrum voor Werk en Inkomen.
  14. De veronderstelling is dat het type informatie en het moment waarop de groepen informatie ontvangen bepalend zijn voor de kwaliteit van hun participatie. Kwaliteit slaat in dit verband zowel op de wijze waarop de groepen te werk gaan als op de inhoud.
  15. In het kader van dit onderzoek wordt met politiek gerefe­reerd aan het werk van de politieke partijen in de fracties, commissies en gemeenteraad. Onder gemeentebestuur wordt het College van Burgemeester en Wethouders ver­staan. Gemeentelijk apparaat bestaat uit ambtenaren en uit­voerend personeel en waar de uitdrukking gemeente gebruikt wordt, wordt het college van B&W en het ambtelij­ke apparaat bedoeld.
  16. De deelname aan de sociale conferentie werd bij nader inzien buiten beschouwing gelaten omdat deelname geschiedt op uitnodiging en niet op eigen initiatief.
  17. Het hoge percentage dat deelneemt aan activiteiten van Sjakuus alsmede de grote bekendheid die de sociale confe­renties genieten bij de groepen doet veronderstellen dat er op lokaal niveau behoefte bestaat om eigen inbreng te heb­ben in het landelijke.
  18. ‘Wijze’ kan in dit verband ook betekenen het zoeken naar fysieke deelname aan landelijke activiteiten.
  19. Met ‘bestuurlijk overleg’ wordt een overleg met de wethou­der bedoeld en ‘ambtelijk overleg’ is overleg met ambtena­ren.
  20. Het belangrijk vinden van een thema wil nog niet zeggen dat het werk van de groep rondom dat thema daadwerkelijk georganiseerd wordt.
  21. Met leidend thema wordt bedoeld dat het werk van de groep daadwerkelijk georganiseerd wordt rondom het desbe­treffende thema.

Aanbevolen literatuur

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), 2000. Jaarboek Welvaartsverdeling 2000,feiten en cijfers over inkomen en consumptie in Nederland. Heerlen, CBS

Divosa, Nederlands Centrum voor Sociaal Beleid, 1997. Betrokken Beraad, Cliënten-participatie bij Sociale Diensten. Bunnik: NCSB / Nederlands Centrum voor Sociaal Beleid

Engbersen, G., J.C. Vrooman en E. Snel, 1996. Arm Nederland, Het eerste jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Den Haag, VUGA Uitgeverij BV

Engbersen, G., J.C. Vrooman en E. Snel, 1997. Arm Nederland, De Kwetsbaren, Het tweede jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Amsterdam, Amsterdam University Press

Engbersen, G., J.C. Vrooman en E. Snel, 1998. Arm Nederland, Effecten van armoede, Het derde jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Amsterdam, Amsterdam University Press

Engbersen, G., J.C. Vrooman en E. Snel, 1999. Arm Nederland, Armoede en verzorgingsstaat, Het vierde jaarrapport armoede en sociale uitsluiting. Amsterdam, Amsterdam University Press

Hoff, S. en G. Jehoel-Gijsbers, 1998. Een bestaan zonder baan, Een vergelijkende studie onder werklozen, arbeidsongeschikten en werkenden (1974 - 1995). Rijswijk: SCP

Interdepartementale commissie Harmonisatie Inkomensafhankelijke Regelingen, 1997. Armoede en armoedeval, De rol van inkomensafhankelijke regelingen. Den Haag, VUGA Uitgeverij BV

Jansen, L., 1991. Met enige deelneming, De ontwikkelingen in en de effecten van cliëntenparticipatie bij DIVOSA, Gemeentelijke en Sociale Diensten en elders in de periode
1982 - 1990. Den Haag, VUGA Uitgeverij BV

Jansen, L. en Van der Krogt, J, 1994. Burgers in de bijstand. De ABW op een kruispunt van wegen. Den Haag, VUGA Uitgeverij b.v.

LEC-Bulletin #8, Landelijk Expertisecentrum Cliëntenparticipatie (LEC), 2000. Cliënt als kwaliteitstoetser, participatie dicht bij de klant, gemiste kansen, we gaan er wat aan doen! Utrecht, LEC

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), 1995. ‘De andere kant van Nederland. Over preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting’. Den Haag, SZW

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), 1997. ‘De andere kant van
Nederland: voortgangsnota. Nieuwe stappen tegen stille en sociale uitsluiting’. Den Haag, SZW

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), 1999. Cliëntenparticipatie, eindrapportage. Den Haag, Elsevier bedrijfsinformatie BV

Post, B. en I. Bakker, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), 2000. Een beleid in de bijstand: belemmeringen en beleid. Onderzoek verricht in opdracht van het ministerie SZW door ITS te Nijmegen. Den Haag, Elsevier bedrijfsinformatie BV

Sjakuus, 1998. Aanpak 98 - cahier 1. Het sociaal minimum moet omhoog! Utrecht, St. Sjakuus

Sjakuus, 1998. Aanpak 98 - cahier 2. Meer inspraak en zeggenschap. Utrecht, St. Sjakuus

Sjakuus, 1998. Aanpak 98 - cahier 3. Zorg = arbeid. Utrecht, St. Sjakuus

Sjakuus, 1998. Aanpak 98 - cahier 4. Pleisters plakken of verbanden leggen? Aanzetten tot een fundamenteel debat over verarming en verrijking. Utrecht, St. Sjakuus

Sjakuus, 1998. Aanpak 98 - cahier 5. Armoede en effecten op kinderen & jongeren. Utrecht: St. Sjakuus

Sjakuus, 1998. Aanpak 98 - cahier 6. Een activeringsbeleid dat mensen dient. Utrecht, St. Sjakuus

Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), 1999. Armoedemonitor 1999, Een zo volledig en actueel mogelijk beeld van armoede
in Nederland. Den Haag, SCP

terug

ESN