Reactie van Gelderse Aanpak op
het concept Manifest “Hoogste Tijd voor sociale Rechtvaardigheid”
Vooraf
Middels dit stuk wordt vanuit Gelderse Aanpak gereageerd op het concept manifest “Hoogste Tijd voor sociale Rechtvaardigheid”. Wij hebben gekozen om als ‘provinciale organisatie in wording’ te reageren en wel om de volgende redenen:
- We zijn druk bezig om een participatieve en open provinciale (zelf)organisatie op te richten waarin iedereen die te maken heeft met armoede een plek krijgt. Er wordt op dit moment gewerkt aan een visie die de basis van de inhoud en de organisatieprincipes kan vormen. Een document dat een heldere en een hanteerbare visie op armoede in Nederland geeft kan het proces in Gelderland stimuleren, maar vooral de armoedebeweging in het algemeen versterken. Zo’n document vormt tevens de normatieve basis of wel de rechtvaardiging van welke onderhandeling ook. Een manifest is ons inziens een goed instrument daarvoor. Vandaar dat wij graag meewerken aan het totstandkomen van zo’n document.
- We zijn van mening dat de armoedebeweging gebaat is bij een goed en eenduidig verhaal over armoede in het algemeen: naast het ontstaan van armoede ook haar maatschappelijke en individuele gevolgen.
- Als organisatie hebben wij belang bij een landelijke aanpak die effectief kan werken omdat op dat niveau de essentie van het probleem – gebrek aan inkomen – structureel opgelost dient te worden. Om die reden tekenen wij als Gelderse Aanpak het manifest en doen wij actief mee – via de Regio Oost – aan de Sociale Alliantie.
- Als provinciale organisatie hebben wij belang bij een sterke landelijke armoedebeweging die in staat is het beleid op het gebied van armoedebestrijding te beïnvloeden Een manifest draagt ons inziens bij aan de legitimering van ‘de strijd’ van de beweging en aan het versterken van een eenduidige aanpak.
Deze reactie bestaat uit drie paragrafen. Allereerst wordt ingegaan op de aard en inhoud van het manifest en worden tevens suggesties ter aanvulling gedaan. In tweede instantie laten wij de voorgestelde maatregelen de revue passeren en worden ook wat suggesties gedaan. Tot slot wordt deze bijdrage afgerond met een opmerking ten aanzien van sommige uitdrukkingen die in het conceptmanifest te vinden zijn.
I. OVER HET CONCEPT MANIFEST
1. Constateringen
In de brief van mevrouw Jongerius, voorzitter van de Sociale Alliantie, aan de ondertekenaars van het manifest, gedateerd op 3 juni jongstleden, wordt gesteld dat op basis van activiteiten van het afgelopen jaar het conceptmanifest ‘Hoogste tijd voor Sociale Rechtvaardigheid’ ter actualisering van het manifest van 2000, genaamd ‘Het sociaal offensief’, opgesteld is. De aansluiting tussen beide documenten is voor ons echter niet helder.
Wij constateren verder dat beide ‘manifesten’ als praktische plannen van aanpak - of wel als instrumenten voor onderhandelingen – met her en der wat definities over armoede, e.d. zijn opgevat. De gemaakte keuzes worden o.i. niet voldoende onderbouwd. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk waarom van een plan – althans niet op basis van een evaluatie - bestaande uit twaalf programma’s overgegaan is naar een plan van vijf punten, namelijk: arbeid, inkomen, voorzieningen mensen en hun leefsituatie en krachtenbundeling.
2. Onze mening
Een manifest is als het ware een openbare rechtvaardiging van bepaalde opvattingen en handelingen ten aanzien van een bepaald iets, i.c. armoede. Het opstellen van een manifest ten aanzien van armoede veronderstelt daarom niet alleen een beschrijving over het verschijnsel armoede op dit moment, maar ook een verklaring ervan en de normatieve overwegingen op basis waarvan het anders moet. Dat is wat ons betreft een robuust samenhangend geheel, van meer permanente aard. Het voordeel van zo’n document is dat dit naar de beweging toe organiserend werkt en dat tevens een stevige normatieve basis – vanuit de beweging – voor de onderhandelingen met de overheid en andere instellingen vormt. Een plan van aanpak voor een bepaalde periode vloeit logischerwijs voort uit zo’n document en de analyse van de concrete maatschappelijke en politieke omstandigheden van het moment. De concrete zaken waarover men wilt onderhandelen dienen o.i. in een document van ‘technische’ aard uitgewerkt te worden. We betwijfelen aan de effectiviteit van een mix: een beetje manifest, een beetje plan van aanpak en een beetje ‘onderhandelingsdocument’.
3. Ons voorstel
Wij zijn ons bewust dat men onder tijddruk moet handelen. Wij delen het idee dat het nu een goed moment is om een signaal aan de (nieuwe) kamerleden en regering te geven. Wij zijn echter van mening dat het document toch wel wat anders zou moeten zijn, juist omdat het om (nieuwe) kamerleden en een nieuwe regering gaat.
We stellen voor dat het definitieve manifest een document wordt bestaande – als het ware – uit twee delen: de inleiding die de functie van een manifest, zoals wij boven beschreven hebben, vervult en een plan van aanpak in hoofdlijnen maar wel met andere prioriteiten dan die van het conceptmanifest.
Hieronder volgen enige suggesties zowel met betrekking tot de inleiding als tot het plan van aanpak.
II. OVER DE INLEIDING VAN HET MANIFEST
1. Constateringen
In de inleiding van het conceptmanifest wordt aan de hand van officiële cijfers de armoede in Nederland beschreven. Ook wordt aangegeven dat het beleid van de afgelopen jaren positief heeft gewerkt: de omvang van de armoede is teruggedrongen, maar bij lange na niet genoeg. Voor sommigen zijn de problemen scherper geworden en bij velen van hen is een gevoel van uitzichtloosheid ontstaan. Verder wordt aangegeven dat dit manifest op tal van activiteiten en discussies binnen een breed scala van maatschappelijke groepen stoelt. Ook wordt vermeld dat het manifest zich tot enkele punten voor armoedebestrijding in de komende jaren beperkt.
2. Onze mening
We zijn van mening dat de inleiding rekenschap van de oorzaken en de maatschappelijke en individuele gevolgen van armoede moet geven. In dat kader passen o.i. bepaalde formuleringen niet. Bijvoorbeeld: “Armoede in Nederland. Het komt nog steeds voor”. Gezien het karakter van de Nederlandse samenleving en de effecten daarop van lopende maatschappelijke, economische en politieke ontwikkelingen zoals individualisering, globalisering en oorlog tegen het terrorisme is er o.i. geen enkele reden om te veronderstellen dat armoede zal verdwijnen. Dat is inherent aan het systeem dat gebaseerd is op principes van concurrentie en winstbejag.
In de inleiding – zoals wij ze concipiëren – hoort een definitie van armoede thuis. Gezien het karakter van de samenleving kan terecht gesteld worden dat armoede primair een gebrek is aan inkomen wat het gevolg is van de manier waarop de samenleving als geheel functioneert. Nuanceringen zoals ‘armoede is meer dan een gebrek aan inkomen’ vertroebelt de problematiek en verzwakt daarom de aanpak. Ook een formulering als ‘bij velen van hen is een gevoel van uitzichtloosheid’ is onterecht. Armoede biedt feitelijk geen perspectief. Het lijkt ons dat de burgerschapsbenadering zich goed leent om in het kader van de bestaande samenleving te beargumenteren waarom ook deze burgers rechten hebben om volledig te participeren en dat dit een aanzienlijke verhoging van inkomen impliceert. Wij moeten per slot van rekening streven naar een behandeling als burger en niet als klant. In dat opzicht is zorgvuldigheid in onze formuleringen van essentieel belang.
3. Ons voorstel
Wij stellen voor dat de inleiding van het conceptmanifest herschreven wordt om een stevige basis aan het manifest te geven. Behalve een beschrijving van de stand van zaken ten aanzien van armoedebestrijding dient in de nieuwe inleiding het begrip armoede eenduidiger gedefinieerd te worden. Tevens dient aandacht besteed te worden aan de structurele oorzaken en maatschappelijke en individuele gevolgen van armoede, alsmede het effect van de huidige ontwikkelingen van economische, politieke, sociale en culturele aard.
III. HET PLAN VAN AANPAK VOOR DE KOMENDE PERIODE
1. Constateringen
Het gedeelte van het conceptmanifest dat als het plan van aanpak voor de komende periode opgevat kan worden bevat vijf punten, namelijk: arbeid, inkomen, voorzieningen, mensen en hun leefsituatie en krachtenbundeling. Elke van de vijf punten wordt gedefinieerd en er worden per punt vervolgens concrete maatregelen ter verbeteringen voorgesteld. Opvallend is dat sociale activering zo weinig aandacht krijgt.
2. Onze mening
De redenering die ten grondslag ligt aan dit programma van vijf punten is voor ons niet helder.
Uitgaande van het idee dat het om armoedebestrijding gaat dan komen wij tot een ander plan van aanpak met vijf punten, namelijk: inkomen, maatschappelijke participatie, voorzieningen, medezeggenschap en krachtenbundeling. Een paar van deze concepten krijgen wel een wat andere invulling dan wat nu in het conceptmanifest staat. Deze ideeën zijn immers in de laatste twee jaar, in nauw contact met de lokale groepen, ontwikkeld. De grote meerderheid van de mensen die te maken hebben met armoede zijn mensen die zeer weinig kansen hebben of krijgen om via betaalde arbeid uit de armoede te kunnen ontsnappen. Sommigen zijn - om welke reden dan ook - domweg niet in staat om deel te nemen aan het arbeidsproces zoals dat nu georganiseerd is. Anderen, die wel mee kunnen doen aan het arbeidsproces (maar dat zijn er procentueel niet veel) zullen dan ook op functies terechtkomen die qua inkomen weinig opleveren en/of weinig loopbaanperspectief bieden en bovendien het risico in zich dragen in de armoedeval terecht te komen. Arbeid is dus niet het belangrijkste instrument om armoede te bestrijden. Logischerwijs kan dus arbeid niet de hoge prioriteit zijn voor armoedebestrijding. De hoge prioriteit dient INKOMEN te zijn omdat armoede primair een tekort aan inkomen is.
Maatschappelijke participatie krijgt wat ons betreft de tweede prioriteit. De rechtvaardiging hiervan ligt in het idee van burgerschap. Armen dienen evenveel rechten te hebben om mede vorm te geven aan de samenleving (wellicht hebben ze belang in een samenleving die gebaseerd is op andere mechanismen dan de huidige) dan wel de ruimte om zin aan hun leven te geven. Om dit te realiseren zien we drie instrumenten, namelijk:
- arbeid. Wij staan volledig achter het standpunt dat degenen die betaald kunnen werken dat ook moeten kunnen doen. Werk moet echter lonend zijn/worden.
- zorg. Wij staan ook volledig achter het standpunt dat zorg ook als arbeid erkend moet worden. Hiervoor dienen de nodige maatregelen getroffen te worden om dat te kunnen realiseren.
- sociale activering. Wij zijn van mening dat sociale activering ontwikkeld dient te worden als een instrument van maatschappelijke participatie ten dienste van degene die om welke reden dan ook niet actief aan het arbeidsproces mee kunnen doen dan wel zorgtaken niet kunnen verrichten.
Wij zijn er niet helemaal uit of het terecht en effectief is dat voorzieningen één punt van het plan van aanpak moeten zijn.
Medezeggenschap en krachtenbundeling vinden wij van essentieel belang. Burgerschap zonder praktische instrumenten om te participeren en invloed uit te kunnen oefenen is o.i. een leeg begrip. Het streven dient te zijn dat de mensen zelf niet alleen meer kansen krijgen om mee te doen maar dat ook de werkelijke mogelijkheden daartoe gecreëerd worden. Kortom: het regelen van medezeggenschap (wellicht zijn er juist nu politieke condities om dat aan te kaarten) en het realiseren van meer coördinatie en afstemming dienen hoge prioriteiten te krijgen.
3. Ons voorstel
We stellen voor dat het gedeelte van het manifest dat over de concrete maatregelen handelt enigszins aangepast wordt. Daarover hebben we onze menig gegeven. Verder zijn we van mening dat waar concrete streefcijfers genoemd kunnen worden ook genoemd dienen te worden. Hieronder volgen een aantal opmerkingen op het conceptmanifest zoals dit nu geformuleerd is, die tijdens ons overleg naar voren zijn gekomen en waar vragen bij gerezen zijn:
1. arbeid
- punt 1a, ‘uitzicht’ is te vaag, zou moeten zijn ‘garantie’.
- 1b, de armoedeval is te voorkomen door een generieke verhoging van het norminkomen. De voorgestelde regeling is te ingewikkeld en te duur.
- 1c, ‘minima’ waarom tussen haakjes? Zijn alle minima, ook de niet-werkende, dan niet volwaardig?
- 1d, e, f vervallen.
- 1g en 1h niet vertalen in arbeidstermen.
2. Inkomen tot punt 1 te maken
- Vraagtekens bij ‘moderne samenleving’, was dat het beginpunt van de armoede? Suggestie: ‘de laatste decennia is veel armoede ontstaan en in stand gehouden’.
- ‘schuldhulpverlening’ verouderde term. Instrument voor incidenten en niet om armoede te bestrijden.
- Macro-economische ontwikkelingen erbij betrekken, zoals de komst van de euro.
- M.b.t. de patstelling; twee werelden staan tegen over elkaar, waarbij de micro-cijfers van de individuele uitkeringsgerechtigden niet tellen bij de macro-cijfers; ze worden niet betrokken als argument.
3. Voorzieningen
- worden hier geen appels met peren vergeleken? Gezondheidszorg, onderwijs en huisvesting zijn verschillende terreinen. Veel van de genoemde maatregelen onder dit punt worden als te vaag en subjectief ervaren. Wie bepaalt bijvoorbeeld de hoogte van premies, gelden er ook maxima.
- 3e; maximeren. Beter -> definiëren.
- 3f; bij dit punt zou ook cliëntenparticipatie betrokken moeten worden.
4. Mensen en hun leefsituatie.
- Wat zijn ‘persoonlijk kenmerken’ van mensen. Wat en wie bepaalt de norm?
- ‘categoriaal maatwerk’? Een contradictio in terminis.
- Onder dit punt de solidariteit meer benadrukken en wijzen op stigmatisering van een wettelijke regeling als de Wet Boeten en Maatregelen’.
- De afwijkende situatie van minderheden impliceert een specifieke aanpak.
5. Krachtenbundeling.
- Dit punt hangt er bij als een bijlage, maar zou ook geïntegreerd kunnen/moeten? worden in de inleiding?
terug
|